dinsdag 12 maart 2019


Nog acht dagen….

“Kaatje, wat voor een schoenen neem je eigenlijk mee? Er ligt hier nog wel sneeuw,” vraagt Eef me. Ik denk terug aan de afgelopen maanden en hoe blij ik was dat ik mensen die er verstand van hebben hoorde roepen dat ons klimaat verandert. Zachte winters. Geen ijs. Geen sneeuw. Geen ijzel. In gedachten loop ik mijn schoenenverzameling langs. Mijn sneakers zijn niet waterdicht. Mijn snowbootsen wel maar die knellen mijn fietskuiten na een uur of vijf af. Natuurlijk. Mijn Palladiums, schoenen die voornamelijk worden gekocht door avonturiers en reizigers. Ooit las ik dat een Franse vulkanoloog en geoloog de schoenen droeg tijdens een vulkaanexpeditie. Dan kan ik ze dus met gemak tijdens mijn Alaskaexpeditie dragen. Ik vink het probleem ‘schoenen’ af en staar uit het raam.

Ik overdenk mijn reis. Eerst vlieg ik naar Seattle waar ik twee dagen met Eef blijf. Zes jaar geleden was ik er ook, maar waren we op doorreis en hadden nauwelijks tijd. Gaan we deze keer dunnetjes overdoen. “Oh ja, Ka, ik geef je het adres van ons hotel in Seattle door. Kun je daar heen gaan als ik onverhoopt niet op het vliegveld sta om je op te halen. Neem je gewoon even zo’n shuttlebusje.” Shuttlebusje? Hoezo ben je niet op het vliegveld? Ik ga altijd uit van het beste reisscenario. Als we een zomervakantie boeken zie ik de stapel boeken die ik meeneem per dag slinken, zijn mijn kinderen de hele dag de hort op, is het drie weken mooi weer, hebben we geen last van de buren en kan ik altijd naar een schone wc. De werkelijkheid is dat ik niet aan lezen toekom, omdat mijn jongens geen leuke vriendjes kunnen vinden en elkaar lopen te narren, dat het vooral regent, dat buren steeds maar onzinnige weerpraatjes willen maken en dat de schoonmaker op zijn dooie gemak het sanitair zuivert op het moment dat ik heel nodig naar de wc moet. Positief als ik ben weet ik gewoon dat Eef op het vliegveld staat als ik gesloopt maar gelukkig land. De versie dat ik doodmoe en met afhangende schoudertjes wanhopig naar mijn vriendin zoek duw ik weg. Zo zal het niet gaan.

“Ha mam, had je al gehoord dat er een Boeing 737 in Ethiopië is neergestort,” vraagt Tommie als uit school komt en zijn rugzak naar mijn hoofd slingert. Ik vang de tas op en Tom slaat zijn armen om me heen. “Jouw vliegtuig stort toch niet neer?” bibbert hij in mijn oor. Ik duw m zachtjes van me af en kijk in zijn donkerbruine ogen. Ik schud mijn hoofd. En beloof hem dat mij niet zal overkomen. “En je weet,” steek ik mijn vinger in de lucht, “belofte maakt schuld.”


maandag 11 maart 2019

Hoorde ik dat goed? Zei je nou serieus dat je naar Alaska gaat?




Nog negen dagen....

Nee sorry. Dan kan ik niet. Dan zit ik in Alaska. Elke keer als ik dat zeg, zie ik de verrassing op het gezicht van degene die een afspraak met me wil maken. Wenkbrauwen die richting haargrens gaan, monden die openvallen. Ja. Ik ga naar Alaska. Voor de tweede keer van mijn leven. Maar nu is alles anders. Want ik reis alleen. Me. Myself. And I.
Zes jaar geleden maakte ik me ook op voor een lange en spannende reis naar een van mijn liefste vriendinnen. Eef besloot zo’n dertien jaar terug het roer om te gooien, pakte haar bontmuts en koffers en vertrok met Peet naar Alaska. “Schat, waarom niet een bed & breakfast in Portugal?” trok ik haar wanhopig aan haar arm. Leek me een stuk aantrekkelijker. Warmer en minder ver. Ze was onverbiddelijk. En ging. Taferelen van beren die mijn bestie uit elkaar trokken en boven een grote pan opwarmden trokken aan mijn geestesoog voorbij. “Ka, ik zorg voor haar. Echt,” verzekerde Peet mij. Jaja. Alsof hij bestand zou zijn tegen die immense klauwen.
Borrelnootjes
P
eet kwam zijn belofte na. Zorgde voor mijn vriendin. Ze bouwden een leven op in het hoge noorden. Kregen een zoon, Storm en geen haar op hun hoofd die overwoog terug te komen naar het knusse Nederland. Zelfs de Hema en Appie Heijn konden daarin geen verandering brengen. De Hollandse gezelligheid, borrelnootjes, kruidnoten flirtten met mijn vrienden alsof het een lieve lust was, maar nee. Ze bleven. Onze levens werden gescheiden door een oceaan. En gelukkig moet er zo nu en dan een visum worden aangevraagd en komen ze terug naar hun geboorteland. Heerlijk vind ik dat. Kan ik eindeloos thee drinken en schaamteloos taart naar binnenschuiven met mijn bestie. Het afscheid nemen blijft altijd nog even een toestand, hoewel we er steeds beter in worden. Aldoende leert men.
Groot hart
Voor wat hoort wat. En ik vond het de hoogste tijd om weer eens naar Alaska te gaan. Lijkt simpel. Is het niet. Want als ik mijn gezin verlaat, ontstaat er een gat dat moet worden opgevuld. Gelukkig is De Man een kerel van weinig woorden en in het bezit van een groot hart. “Alaska?” Hij keek me aan over zijn leesbril en haalde zijn schouders op. Geen punt. Gewoon lekker gaan. Tien dagen, oke? Hij knikte. Deze drempel was een makkie geweest. De volgende horde waarover ik heen moest was minder eenvoudig.
“Wat? Neeee. Mama. Niet naar Alaska. Hoe moet het dan met ons? Ik wil ook mee. Ik wil met Storm spelen en beren aaien.” Tommie had geen idee en vond het mijne stom. Bob keek nauwelijks op van zijn tablet. En bromde, met die beginnende baard in zijn keel, iets van ‘kapot cool’.  Ik knikte. Cool was het er zeker. Door het groene licht dat ik thuis kreeg, begon het te kriebelen in mijn buik. Ik zou gaan. In mijn eentje.
Appel en een ei
Ik speurde online naar vliegtickets maar raakte al snel het spoor bijster. Al mijn vrienden en kennissen gingen altijd voor een prikkie op pad. “Lekker man, naar Barca, voor nog geen honderd euro.” Als ik ging zoeken naar Barca voor een appel en een ei, was alles vol. Of hartstikke duur. Ik staakte mijn zoektocht en nam een reisbureau in de arm. Opgelucht was ik toen Carmen zei dat het ingewikkeld was. “Komt door je vlucht en verblijf in Seattle. Maar we gaan eruit komen. Wordt wel wat duurder.”
We kwamen eruit. Ik moest even slikken toen ik het bedrag onder de streep zag. “Met een tussenlanding is het voordeliger. Vlieg je naar Heathrow en pak je daar het vliegtuig naar Seattle.” Een overstap. Ik visualiseerde een willekeurig, gemiddeld groot vliegveld. Zag mensen zenuwachtig naar borden kijken, hoorde de douanier vragen of ik zelf mijn koffer in had gepakt en hoewel ik dat had gedaan, brak het zweet me uit. Ik zag huilende mensen die afscheid van geliefden namen, ik zag paniekerige reizigers die hun gate niet konden vinden.
I did it
“Denk je dat ik dat kan? Denk jij dat ik in het vliegtuig naar Seattle terecht kom?” Carmen beet op de achterkant van haar pen en keek me vorsend aan. “Ja,” schudde ze haar blonde krullen, “dat kun jij.” Nou ja. Als zij het zegt… Mijn dapperheid scheelde driehonderd euro op het totaalbedrag. Ik nam een optie op mijn reis zodat ik Eef het kon laten checken. De volgende dag pinde ik, met mijn handen voor mijn ogen, het bedrag. Stralend keek ik Carmen aan. I did it. I fokking dit it.
Over negen dagen ga ik. En omdat een aantal mensen in mijn omgeving hun hart vasthoudt, heb ik beloofd te bloggen. Van de aanloop, tot het opstijgen tot het landen. Ik deel het. Want het is te leuk om voor mezelf te houden.

woensdag 16 maart 2016

Ka d’r voetbalboek is vol

Wat had ik deze graag verzameld...

Mijn hart zit in mijn keel. Mijn wangen zijn vuurrood. Als een hongerige wolf sta ik aan het tafeltje. Mijn oudste heb ik opdracht gegeven de pakjes open te maken en mij de plaatjes aan te geven. Mijn jongste heeft maar een taak: mij niet lastig vallen. Ik ben een vrouw met een missie. Ik moet nog maar één plaatje in het voetbalboek. Nummer 123. Dan ben ik compleet. Dan heb ik de afgelopen weken 1247 plaatjes in een voetbalboek geplakt. Zo’n 1200 kinderen  die ik heb ik ingeplakt, wonen in Hilversum, maar heb ik nog nooit gezien. Daar gaat het ook niet om. Het gaat erom dat dat boek vol is.
Niet alleen mijn eigen boek heb ik vol, ook het boek van Coach is aardig op weg. Met voetbalmoeder Valerie heb ik een hotline. Steeds weer appen we lijstjes met nummers die we nodig hebben. Een andere voetbalmoeder heeft een groepschat aangemaakt met een voor mij volstrekt onbekende moeder. Maakt niet uit! Voetbalplaatjes verbroederen. We kletsen en zuchten tegen elkaar alsof we elkaar al jaren kennen. Ik kom nergens meer aan toe. Ben al die tijd aan het sorteren. Zorgen dat mijn stapels up to date blijven.

Met mijn heup duw ik een jongetje opzij. Ik moet en ik zal 123 vinden. Driftig streep ik de plaatjes van Coach van mijn lijstje. “Verveel jij je ofzo”, snoeft hij op de app. Nee. Het is de autist in mij. Dolgelukkig word ik van een boek dat vol is. Een stapel voetbalplaatjes dat op volgorde ligt.

Mijn oudste trekt aan mijn mouw. We moeten gaan, we moeten naar de bootcamp. Ik ruk me los van de tafel. Stop nog snel een stapel plaatjes die ik nog moet uitzoeken in mijn jaszak. Mijn oudste schaamt zich kapot. Ik ken die blik. We haasten ons naar de bootcamp. Daar zit Valerie. Met haar dubbele plaatjes in de aanslag. Als ik mijn tas open doe, krijg ik een hartverzakking. Ik. Heb. Mijn. Boeken. Laten. Liggen. Op. De. Ruilbeurs. Met een bonkend hart fiets ik terug. Duw drie kinderen omver, neem een snoekduik naar het tafeltje waar ik eerder stond. Ze liggen er nog. Juichend verlaat ik de ruilbeurs.

Terwijl onze mannen burpees, push-ups en andere vermoeiende oefeningen doen, plakken wij als een geoliede machine het boek van Coach bijna vol. Thuisgekomen maak ik een verse lijst met de laatste nummers die ik nog nodig heb. Ik gooi het in de app. Het zijn er niet veel meer en het komt goed.

’s Avonds zit ik uitgeteld op de bank. Voor mij loert het zwarte gat. Maar er is ook iets van opluchting. Het ziet er naar uit dat ik mijn leven weer terug krijg. Dat ik niet meer in voetbalplaatjesnummers denk. Dat ik geen stapeltjes meer hoef te maken.

“Maar dan hebben we gelukkig nog de moestuintjes”, grijnst mijn oudste. Ik grijns terug. Daar heb ik gelukkig helemaal niets mee. Niet met het verzamelen, niet met het planten, spenen, verpotten en weet ik veel wat er allemaal bij zo’n moestuintje komt kijken.

Maar ja. Ik zei ook aan het begin van de voetbalplaatjesactie dat ik alleen de club van mijn oudste zou verzamelen……


dinsdag 26 januari 2016

Ka d’r kleinste haalt zijn C ternauwernood


 
Nee. Het ging niet van zelf dat C-diploma binnen roeien.



En? Heeft ie zijn diploma? Jazeker. Maar dat ging niet vanzelf. Oh? Maar als ze toch mogen afzwemmen dan hebben ze dat papiertje toch eigenlijk al op zak? Ja, eigenlijk wel ja. Maar er kan nog van alles misgaan.

Zo herinner ik mij nog een afzwemmertje voor B in de groep van mijn oudste. Het meisje was met geen tien paarden het bad in te jagen. Haar ouders, de badjuffen, de strengste badmeester werd zelfs van stal getrokken; geen mens kreeg het voor elkaar het kind middels een kikkersprong het water in te krijgen. Ze zette haar hakken in het zand en vertikte het. Het beeld van het gezin dat, met grote vrolijke cadeaus, het zwembad met gebogen hoofd verlieten terwijl het meisje het op een brullen had gezet, staat op mijn netvlies gebrand. Daar ging hun feestelijke dag. Gebeurt niet vaak, weet ik ook wel, maar het kan dus wel.

Goed. De ochtend voor het Grote Afzwemmen. Mijn kleinste heeft een beetje buikpijn, piept hij. Mijn ervaren oudste, expert op het gebied van afzwemmen, zegt dat dat over gaat. Dat ik ook een beetje buikpijn heb, houd ik voor mezelf. Ook ik zit niet op de wijsneuzerij van mijn oudste te wachten.

Daar gaan we. Tas vol kleding en handdoeken. Cadeaus. Mijn kleinste zit wit op de achterbank terwijl mijn oudste hem moed inpraat. “Kijk, je moet gewoon je handen boven je hoofd doen, heel diep duiken en zwemmen. Gewoon zwemmen.” Gewoon zwemmen. Mijn kleinste kijkt uit het raam.

Op het randje kijkt hij ietwat benauwd. Eerst moet hij met zijn kleren aan onder een mat zwemmen. Dat is een van zijn twee bergen. Hij wordt gematst door de zwemjuf; ze tilt de mat een beetje op. Omdat zijn jas vol water loopt, heeft hij namelijk een behoorlijke bochel op zijn rug. Vervolgens komt berg twee: negen meter onder water en door het gat naar boven. Mijn kleinste kijkt me aan, ik knipoog en knijp mijn handen fijn. Daar gaat ie. Zijn haar is al boven water. Wat? Het meisje naast hem zwemt niet door haar eigen gat maar door die van mijn kleinste. Hij kan er niet doorheen. En komt boven. Mijn hart gaat als een dolle tekeer. Nee he? Ja. Hij wordt uit het water gevist. Met een bevend lijf, zijn handen voor zijn mond gevouwen, zie ik m zijn hoofd schudden naar de juf. 

Verslagen loopt hij weer naar de kant. Hij moet nog een keer. Ik kijk om. Mijn moeder durft niet te kijken. Ik hurk voor zijn baan alsof ik hem dan door het rottige gat kan trekken. Hij kijkt me deze keer niet aan als hij erin duikt. Zijn armen langs zijn oren, hij zet af en plonst erin. Het komt uit zijn tenen. Hij ploegt door het water, op naar het gat. Zijn haar is inmiddels boven water. Na een zenuwslopende minuut plopt hij aan de andere kant van het gat omhoog. Het publiek applaudisseert terwijl mijn hartslag normaliseert.


Feest! Een rondje om het zwembad!
De rest van het afzwemmen is een eitje voor mijn kleinste. Dapper harkt hij zowel op zijn rug als zijn buik door het water, drijft als een dode zeester, watertrappelt alsof hij nooit anders heeft gedaan. De opluchting is groot als blijkt dat iedereen, ja echt iedereen, zijn C-diploma heeft gehaald. Ik pink wat tranen weg, knuffel mijn natte jongste fijn en sluit de periode zwemles af. 

Voorgoed.  

vrijdag 1 januari 2016

Ka belandt in 2016


De eerste selfie van 2016 is een feit.

Als ik in alle vroegte wakker word op de eerste dag van het nieuwe jaar, zie ik een zwik appies op mijn telefoon. “Hee Ka, gelukkig nieuw jaar of slaap je al?”  Ja. Hallo het is 1.08 uur. Wat denk je?

Ik heb me door de avond heen gesleurd. Zoals verwacht ging het tot een uur of half tien prima. Mijn oudste en jongste hadden zich ’s middags aangesloten bij een buurtgroepje jongens die alvast wat vuurwerk knalden. Loslaten, ik moet dat loslaten, herhaalde ik als een mantra. Beelden van mijn grootste bonkie met een ontplofte vinger door het vuurwerk, duwde ik weg. Loslaten, loslaten. Toen ze ongeschonden binnenkwamen, installeerde mijn oudste de app ‘Aftellen tot 2016’ op zijn tablet, zodat ik om de minuut hoorde hoe lang ik nog moest. En mijn kleinste om de seconde vroeg hoe lang het nog duurde. Ik voorzag een lange avond.

Natuurlijk keken we naar de Top2000 A gogo en keken mijn mannen met open mond naar kok Pierre Wind die op elke vraag/opmerking van Matthijs van Nieuwkerk in plat Haags ‘kickuh!’ riep. Kickuh? Deze man was nog vetter dan Jochem Meijer, besloten mijn mannen.

Ik pakte een oliebolletje en schoof deze naar binnen, om ogenblikkelijk het medicijnenblik binnenste buiten te keren. Op zoek naar een Rennie.  Mijn kleinste was inmiddels op de grond gaan zitten met een kussentje, viel langzaam om, pakte Muis stevig beet en viel in slaap. One down. Mijn oudste hield het vol, dat wakker blijven maar werd behoorlijk hyper terwijl ik langzaamaan in mijn slaapstand zakte en niet meer zo aanwezig was.

De Man zat in de stoel. Punt brie en toastjes binnen handbereik, evenals de fles Apfelkorn die op de kop af een jaar lang in onze koelkast had gelegen omdat een vriend zei op 1 januari 2015 bij ons een Apfelkorn te komen drinken. Hij is nooit gearriveerd, die vriend, en De Man tikte nu dan maar vrolijk de fles leeg.

Rummikub hebben we niet gespeeld; De Man moest hard werken op zijn virtuele boerderijtje Hay Day, mijn kleinste sliep, mijn oudste genoot van Ik hou van Holland en ik sopte de keuken. Rechtop en bewegend gedijde ik het beste.


Om tien voor twaalf ontwaakte mijn kleinste en rekte zich uit. De Man verdween in de kelder en kwam met twee champagneglazen boven. We telden af met de app van mijn oudste, namen een slok champagne en speerden naar buiten. Ik had een opleving. Sloeg de buren hard op hun schouder en wenste hen het beste. De opleving duurde twintig minuten. Ik zwaaide naar mijn mannen en kroop in bed. Ik zuchtte diep toen ik op mijn rug lag. 2016. Kom maar op. Ik ben er klaar voor.

vrijdag 25 december 2015

Ka gourmet voor het eerst en het laatst



Na jaren van hazenpeper, gevulde kalfsborst, gestoofde peertjes en veel te dure en knoertharde spruitjes, vond ik dat er een frisse wind over de dinertafel tijdens kerstavond moest waaien. Voorzichtig kegelde ik de traditie om. Moest met een alternatief komen. En opeens wist ik het: wij, wij gaan gourmetten. De Man vond het prima, want: vlees. Veel vlees. Mijn ouders vonden het ook fantastisch. Vooral mijn vader vond het mooi dat hij niet meer de hazenpeper in het altijd zo pittoreske maar o-zo drukke Gooise Laren hoefde op te halen. Mijn broer en schoonzus vonden het allemaal best. Als ik het flesje wijn maar niet schrapte, waren zij gelukkig.

Geregeld. Maar nu? Gourmetten. Hoe doe je dat? Wat eet je bij dat vlees? En wat mik je op die bakplaat? Ik googlede me suf en ontdekte dat het echt simpel was. Gewoon rauwe paprika, champignons, courgettes en uien. Sausjes. Een salade. Het leek me ook smakelijk om warme aardappelkroketjes in de oven te schuiven. Dat mocht allemaal, dat gourmetten deed niet zo moeilijk.

Mijn moeder regelde twee bakplaten, die we prominent op tafel zetten. Zout op de bakplaat, knop omdraaien. Een kind kon de was doen. Mijn jongste en oudste vonden het geweldig dat geneuzel op die bakplaat. In no-time stond de kamer blauw. Nee, was helemaal niet erg, hoorde er gewoon bij. Voor de zekerheid hielden we toch maar het grote licht aan, tot grote ergernis van mijn kleinste die eten bij kaarslicht the bomb vindt.

Ik vond het maar niets, dat gourmetten. Het vlees werd taai, de paprika’s verbrandden voortdurend en ik zag het verschil tussen de kipfiletjes en de varkenshaas niet. Ik zette de bak met aardappelkroketjes bij mij in de buurt.

Mijn kleinste slijmde bij mijn schoonzus. “Zal ik voor deze twee stukjes vlees zorgen?”, vroeg hij behulpzaam. Mijn schoonzus knikte. En toen gebeurde het. Mijn kleinste gleed weg van zijn stoel en brak zijn val door zijn handen op de gourmetplaat te zetten. Als de wiedeweerga trok ik m weg, gooide hem onder mijn arm en zette de kraan aan. Mijn hartslag was hoog. Mijn kleinste jammerde. Toen hij siste: “Waarom tilde je me op, ik kan lopen hoor”, haalde ik opgelucht adem; de verwondingen vielen mee. De rest van de avond zat hij met zijn handen in een bak water. Gourmetten hoefde niet meer voor hem. Nooit meer.

Ik sluit me daarbij aan. Ik gourmet nooit meer. Niet omdat mijn kleinste twee blaren bij zijn duimen heeft, maar gewoon omdat ik het gedoe vind. Dat gemeut op zo’n plaat.


Het idee voor volgend jaar kerstavond is al geopperd: een winterbarbecue. Ik heb er zin in. Nu al.

donderdag 17 december 2015

Ka bakt weer worstenbroodjes




Het is weer zover. Het jaarlijkse kerstdiner op school. Dit jaar had ik me voorgenomen het allemaal iets beter te structureren, op tijd te beginnen enzo. Toen ik mijn oudste en jongste vroeg wat ik zou maken, riepen zij als een man: ‘worstenbroodjes. Ha. Dat kan ik.

Vier weken voor het kerstdiner maakte ik al goodiebags voor de juffen want juffen moet je koesteren. “Je denkt toch niet dat ik dat ga geven, he?”, hyperde mijn jongste die menselijk contact soms wat ingewikkeld vindt. Menselijk contact met zijn juf staat boven aan op zijn lijstje van toestanden. Vanachter zijn tafeltje heeft ie babbels voor tien, maar verder niet. Ik schudde mijn hoofd. “Nee, dat dacht ik niet nee”, knipoogde ik naar hem.

Ik sloeg voor een weeshuis knakworsten en croissantdeeg in. En vergat sesamzaadjes. Daar kwam ik achter toen ik wilde bakken. Geeft niks. Gewoon even naar de super. Zo. Alles in huis. Als een malle rolde ik het deeg uit, besmeerde het met ketchup, sneed alles in plakjes en rolde er een worst in.

Omdat ik vind dat mijn mannen lekker schoon aan het diner moeten verschijnen, zet ik mijn kleinste onder de douche en race naar beneden om verder te gaan.

“Zeg mam”, vroeg mijn oudste, “is dat wel halal?” Sorry? Nee. Dit is gewoon een Hollandse sappige knakworst gerold in scharrel croissantdeeg. Niks mis mee. “Ja, maar dan kunnen Mo en Ali het niet eten.” Nee. Mo en Ali kunnen het niet eten. Maar gelukkig hebben de moeders van Mo en Ali waarschijnlijk iets gemaakt dat wel halal is. “Het mooie is, lieve schat, dat jij alles kunt eten. Hoe cool is dat?”, dans ik door de keuken. Daar had mijn oudste nog niet aan gedacht.

Ik haal mijn kleinste onder de douche vandaan, mijn grootste duikt eronder. Alles onder controle. Ik haast me naar de keuken voor de volgende plaat worstenbroodjes. Paniekerig holt mijn kleinste de keuken in. “Mam, die broodjes van jou zijn niet Allah”, roept ie. Niet Allah, herhaal ik dom zijn vraag. “Hij bedoelt halal”, schreeuwt mijn oudste van boven die altijd alle gesprekken die in dit huis worden gevoerd, volgt. Ik schiet in de lach. Nee. Deze broodjes zijn niet Allah maar hebben wel dezelfde letters als halal.

Net op tijd stampen we alles in de auto. Hollen de school in en zetten onze worstenbroodjes op tafel. De juf schuift er een kaartje voor: ‘niet halal’. “Kijk”, wijst mijn kleinste op het bordje, “het is niet Allah.” Gierend rijd ik naar huis in mijn auto die naar knakworst stinkt. Kerstdiner 2015 op school. En we leven allemaal nog… Volgend jaar ga ik het beter plannen. Echt.