woensdag 23 oktober 2013

Ka kijkt naar Hollands Next Top Model

Als ik naar mijn sportschool fiets en de rotonde op het Mediapark zwierig als altijd neem, valt het me op dat het erg druk is voor een maandagavond. Dan weet ik het weer: de live uitzending van Hollands Next Top Model 2013 is vanavond. Mijn hart maakt een sprongetje. Al weken kijk ik naar dat programma. Jij? Ja. Ik! Ik heb het opgenomen zodat ik het na mijn uurtje spinnen lekker kan kijken.

De fitties tussen de kandidates vind ik het leukste. Valse Nicht Frenk vraagt met zo’n vies lachje, handenwrijvend hopend op een vilein antwoord: “Zo, Sabine, wat vind je van de andere meisjes?” Sabine, onopgemaakt zo mogelijk nog mooier dan met make-up: “Ja, gotte, als je Waldientje heet dan ben je bij voorbaat al kansloos he, vind je niet? En als je als Waldientje ook nog als een oud wijf op hoge hakken strompelt tijdens je shoot dan kun je wel inpakken, ja toch niet dan?”. I love it! Ik smul hiervan. Vrouwen onder elkaar vind ik zo fascinerend. Bovendien verbaas ik me over de schoonheid die sommigen hebben. Ik heb nooit de ijdele hoop gehad dat ik op een cover zou stralen. Alles wat je nodig hebt om een topmodel te zijn, bezit ik niet. Dat weet ik dankzij het programma.

Nou, dat kan best hoor, met wat letters er door heen.
“Goed vrouw, je hebt dan wel een leuk koppie, een shootable hoofd, maar ga as-je-blieft iets aan je lijf doen. Je hebt zo echt de juiste maten niet”, wordt een spijker met een prachtige haardos geadviseerd. Mijn ongeëpileerde wenkbrauwen gaan richting mijn haargrens. Ik zet het beeld stil. Kijk naar dat lijf dat de juiste maten niet heeft. Huh? Ik kijk naar mijn eigen lijf. Te dikke benen en verder is alles dat uitsteekt, groot aan mij. Ik denk niet dat Valse Nicht Frenk blij met mij zou zijn. Sterker: ik weet het zeker. Daar waar de Vrouw met de verkeerde maten verdrietig knikt, zou ik Valse Nicht Frenk in een enkele stoot knock-out slaan. Is ie nou helemaal gek geworden?!

Enfin. Het programma wordt gepresenteerd door een Top Model uit 1900 die het waarschijnlijk heel goed op niet-bewegend beeld doet, maar er niet verstandig aan heeft gedaan de boel te presenteren. Tenenkrommend slecht. Ik zit desondanks op het puntje van mijn stoel. Ik zie vier modellen die ik al weken volg, wankelen op schoenen zo hoog als een wolkenkrabber. Gaat nergens over. Angst in hun ogen. “Als ik me nou maar niet te pletter val op deze catwalk, ", zie je ze denken. Helaas gebeurt dat niet, wat ik dan wel weer jammer vind, want ik ben erg van het leedvermaak.

Als het bijna zo ver, als het Top Model uit 1900 op het punt staat omslachtig te vertellen wie er heeft gewonnen, gebeurt het. De televisie stopt met het programma en schakelt over naar Pauw en Witteman. Stoom verlaat mijn oren. Ik vloek en ik tier. Omdat dat dat Top Model uit 1900 zo niet door presenteerde, is het programma uitgelopen en heeft mijn opnamekastje aangenomen dat het wel klaar was. Nee! Dat was het niet! Ik pak mijn mobiel en kijk op internet wie er heeft gewonnen.

Ik kan mijn ogen niet geloven. De Vrouw met de verkeerde maten! Zo. Dat zal Valse Nicht Frenk leren. Dat is zijn straf. Ik grijns naar mijn mobiel. Dat is nog 'ns leedvermaak.

Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij! 

vrijdag 18 oktober 2013

Ka doet ’t vrijwillig

Het voordeel van even zonder werk zitten, is dat je focus een stuk breder wordt. Leed ik tijdens mijn betaald werkend bestaan aan een soort van tunnelvisie, nu zie ik het veel scherper. Mijn leven voor mijn boventalligheid kort samenvattend: drie dagen werken, vier dagen thuis waarvan twee voor mijn boenders zorgen, op alle dagen zooi aanharken, was doen, tuin bijhouden, De Wereld Draait Door kijken, sporten, naar de schoonheidsspecialiste, praten met de buurvrouw, bloggen, verjaardagskaarten sturen en slapen. Dat dus. Nu kan ik al deze activiteiten uitsmeren. Wat een heerlijkheid. Ik vind dan ook dat ik er best wat bij kan doen.

Ik speurde op het internet naar vrijwilligerswerk en belandde in de vacaturebank. De leukste banen kwamen voorbij. Het stemde mij vrolijk, die vacaturebank. Ik pikte er eentje uit. Een PR-medewerkster in een museum. Ik vulde het formulier in en het duurde niet lang of ik werd gebeld. Of ik langs kon komen. Maar natuurlijk. Ik fietste als een malle naar het museum, dat door mijn boenders steevast het Stenenmuseum wordt genoemd. Daar ik niet zoveel met spullen van weleer heb, was ik er zelf nog nooit geweest. De gemiddelde leeftijd van de vrijwilligers aldaar lag net effe hoger dan mijn leeftijd, maar een frisse wind kan enorm aangenaam zijn, zo dacht ik optimistisch.

Al snel had ik in de gaten dat mijn ADHD-manier van praten zorgde voor samengeknepen billen bij de twee vrijwilligers die de ‘intake’ deden. Ik stuiterde dat social media het helemaal was, ook voor het museum en dat Facebook van levensbelang was en dat ik, Ka, ervoor kon zorgen dat het museum gezien werd. Naarstig zochten de intakevrijwilligers naar een boterhamzakje om in het blazen. Tevreden leunde ik, met mijn armen over elkaar, naar achter. Zo. Ik had mijn punt gemaakt.

De intakevrijwilligers keken elkaar aan. Wat moesten ze in godsnaam met mij aan, leken ze te denken. Ik haalde adem en zei dat we het ook best rustig aan konden doen hoor. Dat ik dat heus best wel kon. Zichtbaar opgelucht keken de intakevrijwilligers mij aan. Ze ‘zouden mij bespreken’ in de vergadering.
 
"U hoort nog van ons."
 
Tot mijn grote vreugde kreeg ik een formulier mee. Ik juichte te vroeg; het was een nog nietszeggend formulier. Vooralsnog had ik een proeftijd van twee maanden. Daarna zou ik een evaluatiegesprek met de voorzitter van het bestuur krijgen en als hij tevreden was, dan was het zover. Dan kreeg ik het predicaat vrijwilliger opgeplakt. Dat was nog eens ergens de tijd voor nemen. Niks doorpakken maar nadenken, overwegen, nadenken, in de groep gooien om tenslotte een besluit te nemen.

Ik grijnsde op de weg terug. Zo langzaam mogelijk fietste ik naar huis, zodat ik vast kon wennen aan een wat lager tempo waardoor ik uitstekend in de groep zou passen. Want daarvan was ik overtuigd.

vrijdag 11 oktober 2013

Ka laat zich masseren

Sinds ik in between jobs hang, heb ik tijd. Tijd om lekker te sporten. Knapt een mens van op. Waar een mens ook van op knapt, is een lekkere massage, zo was ik van mening. Tijdens de health week die werd gehouden in mijn sportcluppie was een sportmasseur aanwezig. Een massage van 25 minuten voor 5 euro. Kom er maar eens om. Ik was er dan ook als de kippen bij om me op te geven. Ik wist het zo te vogelen dat ik op vrijdagochtend na mijn pumples terecht kon op de massagetafel.

Na mijn pumplesje, dook ik als de wiedeweerga onder de douche, want het moest voor de masseur natuurlijk ook leuk blijven en van mijn pumpzweetlucht wordt niemand vrolijk. Ik nam een sprint naar het masseerhok en wachtte vrolijk mijn beurt af. God wat keek ik uit naar die twee knedende handen. Een echtpaar stiefelde het hok in. Huh? Er was iets misgegaan met de inschrijflijst. Ik was weg getipp-exed. Nou dat weer. Gelukkig had Sam de masseur, ’s avonds tijd voor me.

Om half negen ’s avonds fietste ik naar de sportclub. Voor de zesde keer die dag in de zeikregen. Maar zelfs die zeikregen kon mijn humeur niet verknallen: ik verheugde me enorm op die massage. Sam gaf me een stevige hand. Mooi zo. Daar was niks mis mee. Ik legde mijn hoofd in het gat van de massagetafel, haalde diep adem en was er klaar voor. Sam begon en zuchtte. “Dat zit flink vast allemaal.” Ik mompelde wat door het gat. Sam wist feilloos de knopen in mijn rug en nek te traceren en drukte deze hardhandig weg. Niets lekker masseren. Ik moest alle zeilen bijzetten om in leven te blijven. Het zou me toch niet gebeuren dat ik zou peigeren op een massagetafel in mijn sportcluppie?
 
Toen hij rechts klaar was, maakte hij een schijnbeweging naar mijn onderrug. Ik glimlachte tevreden. Het glimlachen verging me toen hij links onder handen nam. Waar hij die knopen vandaan haalde, Joost mag het weten. Twintig minuten daarvoor had ik nergens last van, en nu, nu leek het alsof ik een oud, uitgerangeerd vel was. Mijn rug voelde aan alsof een olifant op mijn rug was gaan zitten. “Wacht maar, morgen voelt je rug alsof er een truck overheen gereden is”, waarschuwde Sam grijnzend. Maar zondag, zondag, zo verzekerde big hands mij, zou ik als een jong hert over een hek springen en nergens last van hebben. “Zal ik ook nog even je benen doen?”, vroeg Sam. Driftig schudde ik in het gat met mijn hoofd waardoor mijn oren zeer deden. Geen denken aan. Dan wist ik zeker dat ik morgen me niet meer kon voortbewegen. Ik kleedde me aan en betaalde de marteling.
 
“Oh jah”, riep Sam me na, “veel water drinken, dan kunnen de afvalstoffen weg. En schrik niet als je een heet hoofd krijgt, daar zijn de afvalstoffen naar toegegaan.” Dat laatste leek me sterk; immers mijn hoofd zit het bomvol hersenen, daar is echt geen plek voor afvalstofjes. Als een plank liet ik me die avond in bed vallen. Nog nooit keek ik zo uit naar de zondag….
 
 

zondag 6 oktober 2013

Ka fietst met dj Clark

Mijn leven gaat vooral niet over rozen. Maar het kan erger, zo constateerde ik vanochtend. Ik had me ingeschreven voor de spinningmarathon. Nou ben ik niet zo van de marathons, maar het feit dat er een dj muziekjes kwam draaien, trok mij over de streep. Dat leek me wel wat.

Dj Clark was al aanwezig toen ik samen met mijn sportmaatje de spinningzaal betrad. Op een stapel steps, waarop ik normaal gesproken lig om mijn borstspier hier en daar wat op te rekken, stond zijn ingewikkelde apparatuur klaar. Hij oogde fris, had een fruitig T-shirt waarop met sierlijke letters stond geschreven: ‘something so beautiful, unbelievable’. Deze mooie woorden stelden mij gerust; dj Clark zou mij wel door die eindeloze fietsles loodsen. Ik vond hem een held. Nu al.

Ongetwijfeld had ie een paar uur daarvoor op een of ander hip dancefeest staan draaien, en hee, nu stond ie hier, in een sportschool op het Mediapark. En wat hem boven zijn hoofd hing, hij kon het niet verzinnen.

Want: enig idee wat er gebeurt als je zo’n twintig man in een hokje stopt, op spinningfietsen zet, de deur dichtdoet, vooral de ramen gesloten houdt en ervoor zorgt dat hun hartslag naar ongekende hoogten stijgt? Precies. Dat wordt warm. Dat gaat stinken. Die fietsers zien er na een kwartier al niet meer uit. En Clarke, die frisse dj, moest dat allemaal aanzien. Na een uur sprong ik van mijn fiets, maakte bijna een zwieper over het vele zweet dat op de vloer lag en trok een sprintje naar de wc. Ik moest erg nodig. Toen ik terug kwam en de spinningzaal binnen glibberde, viel ik zo ongeveer dood neer. Wat een ranzige lucht. Heel ranzig. Dj Clarke verblikte of verbloosde niet. Of hij stond nog stijf van de adrenaline van de nacht ervoor, of hij blokte het.

Ik bekeek deze marathon door de ogen van dj Clark, ik had toch niet veel meer te doen dan fietsen, dus dat kon ik er best even bij hebben. De waanzin van het spinnen werd me duidelijk. Helemaal toen sportschoolmedewerker Paul voor het blok werd gezet en op het podium werd gedirigeerd om ook een blokje te entertainen. Bij het vele zweet dat al van Pauls hoofd parelde, gutste dwars daar doorheen vers zweet. Maar hee, hij kon het nog. Na een aarzelend minuutje kreeg hij een meute spinners in beweging. En hoe! En toen, toen zag ik het gebeuren. Voor het raam stonden de nazaten van Paul. Met open mond keken ze naar binnen, voor zover dat mogelijk was door de beslagen ramen. Daar zat hij. Hun vader. Als een dolle te fietsen, als een pakkendrager te zweten. Je zag ze denken: daar heeft ie het thuis nooit over. Nee natuurlijk niet! Dat zijn zaken die je niet tijdens het diner op tafel slingert. Net als dj Clark never nooit aan zijn collega’s gaat vertellen dat ie tijdens een spinningmarathon heeft staan draaien. Dat zijn uitzicht een een troep hopsende mensen op een stilstaande fiets was. Nee met zo'n anekdote trek je geen volle zalen.

Het uitzicht van dj Clarke. Let wel: hier is de marathon nog niet van start gegaan...
 

Na twee uur lagen er tien dode tenen in mijn keiharde spinningschoenen. Ik had honger, ik had dorst en was er klaar mee. Na wat rekken en strekken stortte ik me op de bananen en mandarijnen. Schaamteloos. Dj Clark deed hetzelfde. Haalde zijn hand door zijn haar en keek of dit alles heel normaal was. Ik begreep het wel. Immers: God is a dj…


woensdag 2 oktober 2013

Ka draait door

Naast het predikaat ‘voetbalmoeder’ kan ik nu ook ‘voetballeider’ plakken. Wie had dat ooit gedacht? Ik niet. Ik vond het een nobel plan iets terug te doen voor de voetbalclub waar mijn oudste sinds kort lid van is. Bovendien: ik zit in between jobs en heb dus tijd. Zeeën van tijd.

Op de dag dat ik 4-1 werd, speelde mijn oudste zijn eerste voetbalpartij ever. We moesten drie kwartier voor aanvang van de wedstrijd aanwezig zijn. Ik vond dat wat royaal maar besloot niet gelijk moeilijk te doen en zorgde dat ik op tijd was. Mijn oudste kon niet wachten. Aangekomen bij de voetbalkantine, meldde ik me keurig in de bestuurskamer. Kleedkamer 1, rechterkant, bromde de man in de bestuurskamer. Ik nam, samen met mijn mede-teamleider, de vijf giganten mee naar de kleedkamer. Daar werd het me pijnlijk duidelijk waarom je drie kwartier voor aanvang van de wedstrijd aanwezig diende te zijn. Vijf giganten in voetbaltenue steken vergt wat tijd, zeg maar.

Keurig in de kleertjes betraden we het veldje. Ik riep ze bij elkaar. Liet ze hun naam zeggen, vertelde hoe mijn mede-teamleidster heette en hoe ze mij mochten noemen. “En ik ben de moeder van hem”, wees ik op mijn oudste, die zo trots als een aap zei: “En ze is jarig.” Een vals ‘lang zal ze leven’ kon ik ternauwernood voorkomen door te roepen: En wat gaan we doen vandaag? Ze keken me niet-begrijpend aan. ‘WINNEN’, vulde ik zelf in. Nog een keer. De tweede keer ging het wel goed.

Ineens gebeurde het. De scheidsrechter floot, ik stond aan de kant en ontpopte me als een doorgedraaide Louis van Gaal. Positief schreeuwde ik ‘mijn’ boys naar het doel van de tegenstander. Dat we het eerste doelpunt cadeau gaven door in het eigen goal te trappen, nam ik op de koop toe. Ik moedigde ze aan, die giganten, zorgde ervoor dat ze bleven gaan. Het ging goed, het stond al 5-1 voor onze jongens. Bij elk goal stierde ik als een dolle het veld in, high fivete er vrolijk op los en werd door de voetballertjes aangekeken of ik niet goed bij mijn hoofd was. Mijn oudste grijnsde. Hij kent me immers. In de rust gooide ik er een peptalk tegenaan, klopte ze iets te hard op hun kleine kleuter-schoudertjes, en hopsa, daar gingen ze weer. Snotneuzen veegde ik af, losgeraakte veters strikte ik vakkundig. En mijn mannen, die deden wat ze moesten doen. Winnen. No mercy. Met een keurige 9-1 verlieten we het veld.

God wat was ik gelukkig. Mijn dag kon helemaal niet meer stuk, toen ik een grote wastas in mijn handen kreeg geduwd vol zweetsokken en shirts. Dat dan weer wel.


Soepel door de knietjes overziet de voetballeider het veld tevreden.

woensdag 25 september 2013

Ka gaat op schoolreisje

“Vroeger”, zo begon mijn moeder, “hoefden wij moeders niet zoveel op school te doen.” School was gewoon school. Met juffen en meesters die ervoor zorgden dat dat grut leerden lezen en schrijven. Dat is nu wel anders. Juffen en meester van de basisschool, zo heb ik ontdekt, zijn veel meer dan dat. Kleuters die nog niet zindelijk zijn, kinderen uit probleemgezinnen, kinderen met een taalachterstand. Als je een kind hebt dat gewoon zelf naar de wc gaat, kan zeggen hoe ‘ie heet en thuis amper problemen heeft, heb je bijzonder exemplaar.

Enfin. Het jaarlijkse schoolreisje op de school van mijn boenders kwam in zicht. En ja, daar werden hulpmoeders voor gezocht. Of ik? Tijd en zin? Kon ik vorig jaar nog zeggen: “Helaas, de kleinste is nog thuis”, nu had ik geen smoes. Ik zei ja. Had toch geen werk meer. Bovendien: hoe moeilijk kon het zijn?

Nou. Heel moeilijk. Ik kwam op school, iets te laat, en werd naar de lerarenkamer gedirigeerd waar ik een grasgroen-shirtje met de naam van de school erop, aan moest trekken. Omdat ik zo ongeveer de laatste was, lagen er alleen nog maar XS’jes. Dat is een maat die ik aan kon toen ik elf jaar was. Ik zag er in dat shirtje uit als een rollade en kon amper ademhalen. Ik werd gekoppeld aan een andere moeder en samen hadden wij zes kinderen waarop wij moesten letten. Als een dolle leerde ik de namen uit mijn hoofd. Ik haal mijn eigen boenders continu door elkaar, dus we spreken van een uitdaging. Enfin. De bus reed naar het dierenpark. Mijn minst favoriete uitje. Maar ik snap ook wel dat je niet met een basisschool op een handdoekje koele drankjes kan drinken.

We stonden nog maar net bij de beren, toen Sydney jengelde dat ie naar de wc moest. Ik smeekte god op mijn blote knieën of ie ervoor wilde zorgen dat Sydney en de rest van mijn vijf kuikens, niet hoefde te poepen. En als dat zo was, dat ze zelf die kadetten konden afvegen. We sjouwden weer verder. “We willen een tien-uurtje”, deelde Kimberly monter mee. Een wat? Ik kwam erachter dat op school om tien uur wat wordt gegeten. De Dora- en Diego-rugtassen werden open geritst. En wat daar uitkwam… Zakjes met trekdroppen, een zak vol zoete glimwormen, chips, koek…. Het zweet brak me uit. Mijn boenders hadden een broodje en twee pakjes drinken. God wat was ik een rechtsdraaiende scharrel-moeder. Ze zouden me vervloeken, die boenders. Kimberly stampte in
no-time alles naar binnen. Ik deed nog een laffe poging haar af te remmen, maar gaf het al snel op. Word maar misselijk. Als je maar niet over mijn kleinste en mij spuugt.

Na het tien-uurtje sloten we aan in de rij voor de trein. Het treintje kwam in zicht, moest een laatste bocht nemen en ontspoorde. Hoe was dit nou weer mogelijk? De student die de trein bestuurde kreeg het warm. Verloor zijn geduld. Snauwde naar de passagiers. Belde een collega en samen kregen ze de trein weer op de rit. We vlogen op de oncomfortabele bankjes. Evenals daarvoor, ontspoorde ook onze trein. Ik vond het gesneden en bleef niet als gekke Gerrit met mijn knieën in mijn nek zitten, en stapte uit. Mijn kuikens volgden. Dacht ik. De snelste van het stel, bleef nu zitten. Ik was m kwijt. Ik zocht. Riep zijn naam. Niks. Nada. Het zweet brak me uit. Hoe was het mogelijk. Net toen ik een Amber-allert de wereld in wilde jassen, kwam Stefano kalm aanlopen.
 
Met mijn knieën in mijn nek in het treintje dat ontspoorde.
 
Terug in de bus viel een aantal kinderen in een diepe slaap. Ik ook. Ik was gesloopt. Volgende keer wil ik weer gewoon was-moeder zijn. Dan krijg ik een zak was in mijn handen geduwd en dan word ik geacht deze in de wasmachine te stampen.

Die verantwoordelijkheid kan ik beter handelen.

zondag 22 september 2013

Ka gaat bootcampen

Ooit, nu weet ik in een vlaag van verstandsverbijstering, schreef ik mij in voor een hardloopcursus voor beginners bij de Gooise Atletiek Club. De voordelen lonkten; hardlopen kon ik altijd doen, lekker buiten hollen, mijn hoofd leegmaken. Bovendien had ik een vader die zijn hand niet omdraaide voor een marathon. Na een week of drie zwoegen op de Gooise heide kwam ik tot de ontdekking dat mijn vader mij veel van zijn gennetjes had geschonken, maar dat ie het hardloop-gen voor het gemak was vergeten. Toen de fanatieke trainer, zo een met een zweetband om zijn hoofd, naar de andere kant van de hei wees, uitlegde dat we daar naar toe moesten hollen en als we bij het eind waren weer terug moesten rennen, hing ik mijn veel te dure hardloopschoenen in de wilgen. Hoe zinloos kon het zijn?

Die veel te dure hardloopschoenen heb ik nooit weggegooid. Vanochtend heb ik ze zelfs weer afgestoft. Bij mijn volle bewustzijn heb ik ‘ja’ gezegd op de uitnodiging om mee te doen aan een bootcamp. Toen ik vanochtend mijn ogen opendeed, dacht ik verward: wat is er ook al weer? Het schoot me onmiddellijk te binnen: ik was boventallig en ik ging bootcampen. Hell! Ik haalde mijn sportmaatje op. Samen fietsten we naar het plek des onheils. De frisse bootcampers druppelden binnen. Sommige op de fiets, andere met de auto.

We waren compleet, zo constateerde de bootcampjuf tevreden. “Kijk uit, hondendrollen”, en zoef, daar gingen we. In een draf de hei op. De zendtoren was in mist gehuld. Mijn hart bonkte als een bezetene. Uiteraard liep ik achteraan, maar thank god, ik liep. Gelukkig stopten we. We gingen even wat oefeningen doen. Op een omgezaagde boomstam squatten. Sorrieh? Ik besloot achter de boomstam te squatten. Ik was tenslotte voor het eerst en was nog maar net bezig met bodybalance, dus aan die balans werd gewerkt. Toen kregen we het commando ‘opdrukken met je handen op de boomstam’. Dat was te doen. Opdrukken met je voeten op de boomstam en je handen in de kleine steentjes was dan weer minder grappig. Voorzichtig vroeg ik mijn buurvrouw of het niet zeer deed bij haar. Ze knikte. Ik zuchtte opgelucht. Ik was geen mietje.
 
 
 
 
Goed, op een draf verder. Mijn hartslag werd torenhoog. Mijn hoofd nam de kleur aan van een tomaat. Zelfs mijn lenzen besloegen. Op een veldje gingen we oefeningen doen. We stonden tegenover elkaar. Moesten sprinten, op onze rug liggen, uitstrekken, opstaan, in de lucht springen en weer sprinten. Bij de uitleg kreeg ik het al Spaans benauwd. De uitvoering was erger dan ik had kunnen bedenken.

Het makkelijkste was het op mijn rug liggen en uitstrekken. Dat kon ik echt goed. “Opstaahaaaan en gaaahaaaan”, hoorde ik. Oh ja. Ik veerde op, sprong omhoog en zette aan. Met mijn wilskracht was niks mis, maar aan de rest wat ik nodig had om deze bootcamp te overleven schortte van alles. Ineens realiseerde ik me wat die kandidaten van het televisieprogramma Obese moesten doorstaan. Met een overgewicht van heb ik jou daar, met veel te zware ballen zeulen, op hun rug liggen en omhoog zien te komen. Zo voelde ik me ook. We holden weer vrolijk terug. Op naar de vijf minuten rek- en strekoefeningen. Mijn harstslag daalde, ik kreeg weer babbels en vond het stiekem toch wel heel leuk, dat buitensporten op zondagochtend. “Weet je wat ook heel leuk is”, vertrouwde een bootcamper mij toe, “bootcampen in de sneeuw.” Ik keek haar niet-begrijpend aan. Zij had geen idee hoe ontzettend onhandig ik ben in winters weer. Het was zinloos dat deze bikkel uit te leggen, ik waagde me er niet aan. Ik glimlachte en knikte. Dit waren echt helden.

Na de bootcamp stapte ik op mijn spinningfiets. Langzaam voelde ik de vermoeide spieren tot leven komen. Ik was trots. Ondanks het missen van een hardloop-gen had ik het toch maar mooi geflikt.
 
                                          Uitgeput, met mijn handjes truttig in elkaar op de foto. Maar hell yeah! bootcamp overleefd!