zondag 22 september 2013

Ka gaat bootcampen

Ooit, nu weet ik in een vlaag van verstandsverbijstering, schreef ik mij in voor een hardloopcursus voor beginners bij de Gooise Atletiek Club. De voordelen lonkten; hardlopen kon ik altijd doen, lekker buiten hollen, mijn hoofd leegmaken. Bovendien had ik een vader die zijn hand niet omdraaide voor een marathon. Na een week of drie zwoegen op de Gooise heide kwam ik tot de ontdekking dat mijn vader mij veel van zijn gennetjes had geschonken, maar dat ie het hardloop-gen voor het gemak was vergeten. Toen de fanatieke trainer, zo een met een zweetband om zijn hoofd, naar de andere kant van de hei wees, uitlegde dat we daar naar toe moesten hollen en als we bij het eind waren weer terug moesten rennen, hing ik mijn veel te dure hardloopschoenen in de wilgen. Hoe zinloos kon het zijn?

Die veel te dure hardloopschoenen heb ik nooit weggegooid. Vanochtend heb ik ze zelfs weer afgestoft. Bij mijn volle bewustzijn heb ik ‘ja’ gezegd op de uitnodiging om mee te doen aan een bootcamp. Toen ik vanochtend mijn ogen opendeed, dacht ik verward: wat is er ook al weer? Het schoot me onmiddellijk te binnen: ik was boventallig en ik ging bootcampen. Hell! Ik haalde mijn sportmaatje op. Samen fietsten we naar het plek des onheils. De frisse bootcampers druppelden binnen. Sommige op de fiets, andere met de auto.

We waren compleet, zo constateerde de bootcampjuf tevreden. “Kijk uit, hondendrollen”, en zoef, daar gingen we. In een draf de hei op. De zendtoren was in mist gehuld. Mijn hart bonkte als een bezetene. Uiteraard liep ik achteraan, maar thank god, ik liep. Gelukkig stopten we. We gingen even wat oefeningen doen. Op een omgezaagde boomstam squatten. Sorrieh? Ik besloot achter de boomstam te squatten. Ik was tenslotte voor het eerst en was nog maar net bezig met bodybalance, dus aan die balans werd gewerkt. Toen kregen we het commando ‘opdrukken met je handen op de boomstam’. Dat was te doen. Opdrukken met je voeten op de boomstam en je handen in de kleine steentjes was dan weer minder grappig. Voorzichtig vroeg ik mijn buurvrouw of het niet zeer deed bij haar. Ze knikte. Ik zuchtte opgelucht. Ik was geen mietje.
 
 
 
 
Goed, op een draf verder. Mijn hartslag werd torenhoog. Mijn hoofd nam de kleur aan van een tomaat. Zelfs mijn lenzen besloegen. Op een veldje gingen we oefeningen doen. We stonden tegenover elkaar. Moesten sprinten, op onze rug liggen, uitstrekken, opstaan, in de lucht springen en weer sprinten. Bij de uitleg kreeg ik het al Spaans benauwd. De uitvoering was erger dan ik had kunnen bedenken.

Het makkelijkste was het op mijn rug liggen en uitstrekken. Dat kon ik echt goed. “Opstaahaaaan en gaaahaaaan”, hoorde ik. Oh ja. Ik veerde op, sprong omhoog en zette aan. Met mijn wilskracht was niks mis, maar aan de rest wat ik nodig had om deze bootcamp te overleven schortte van alles. Ineens realiseerde ik me wat die kandidaten van het televisieprogramma Obese moesten doorstaan. Met een overgewicht van heb ik jou daar, met veel te zware ballen zeulen, op hun rug liggen en omhoog zien te komen. Zo voelde ik me ook. We holden weer vrolijk terug. Op naar de vijf minuten rek- en strekoefeningen. Mijn harstslag daalde, ik kreeg weer babbels en vond het stiekem toch wel heel leuk, dat buitensporten op zondagochtend. “Weet je wat ook heel leuk is”, vertrouwde een bootcamper mij toe, “bootcampen in de sneeuw.” Ik keek haar niet-begrijpend aan. Zij had geen idee hoe ontzettend onhandig ik ben in winters weer. Het was zinloos dat deze bikkel uit te leggen, ik waagde me er niet aan. Ik glimlachte en knikte. Dit waren echt helden.

Na de bootcamp stapte ik op mijn spinningfiets. Langzaam voelde ik de vermoeide spieren tot leven komen. Ik was trots. Ondanks het missen van een hardloop-gen had ik het toch maar mooi geflikt.
 
                                          Uitgeput, met mijn handjes truttig in elkaar op de foto. Maar hell yeah! bootcamp overleefd!

 

 

maandag 16 september 2013

Ka is boventallig

Vandaag, op de dag dat ik, na een onaangename break van een paar maanden, weer fulltime aan de slag ging, kreeg ik een telefoontje dat mijn leven in een klap veranderde. Ik ben boventallig. Teveel. Ik moet eruit. De laatste tijd hoorde ik niet anders. “Ja joh, zij van nummer 16 is boventallig verklaard. Wist je dat al?” Nee. Wat vervelend voor haar van nummer 16. En hopsa, ik ging weer verder met het schillen van mijn aardappels. Boventallig. Het zei me zo weinig.

Sinds vandaag ben ik ervaringsdeskundige. Ik heb zo’n telefoontje gekregen. Zo eentje waar je hart heel snel van gaat kloppen. De tranen in je ogen springen. Je hoofd ontploft. Jeetje.

Toen ik het hoorde, was ik thuis. Godzijdank. Alleen zijn en het slechte verhaal alleen verwerken, was wat ik wilde. De geruchtenstroom kwam op gang. Mijn telefoon bleef gaan. Met mij kregen veertien anderen ook dit slechte nieuws te verwerken. ’s Ochtends had ik het slecht. Ik was bezig met de deadline van de krant, en plichtsgetrouw als ik ben, vond ik dat ik mijn krant moest afmaken. Het zou verdorie mijn laatste zijn! Het moment dat ik de laatste punt intikte naderde. Ik slikte. Zag de punt op het computerscherm verschijnen. Punt. Uit.

Ik leunde achterover op mijn stoel. Nam een bak koffie. Warmde mijn koude handen. Wat een finale. Ik voelde. Wat deed dit met mij? Ik had geen collega’s meer. Mijn verhalen in de buurt zouden niet meer in de krant verschijnen. Als mensen geïnteresseerd vroegen wat ik deed, kon ik niet meer trots zeggen dat ik voor de krant werk. Verhalen schrijf. Ik was Ka Werkeloos. In between jobs. Dat klonk misschien beter.



Maar die verhalen kon ik misschien wel blijven schrijven. En was het niet zo dat elk einde de geboorte van een nieuw begin was? Bovendien zou alles open liggen. Als een soort lente die in de lucht hangt. Ik zou op mijn gemak eens gaan bedenken wat ik wil. Wat ik kan. Wie mij kan helpen. Ik hoefde niet meer zo allejezus vroeg op zodat ik om half zeven ’s ochtends fris en vrolijk achter mijn bureautje zat. Niet meer voor de hele goegemeente koffie te halen. Ik werd dan wel bruut uit mijn comfortzone getrokken, maar misschien was dat juist wel heel goed. Ik moest weer in actie komen. Mijn netwerk aanspreken. Zoeken. Kijken. Vinden.

Ik besloot eerst het snot voor mijn ogen te spinnen. Dat had mij immers altijd geholpen. En al zouden de antwoorden op al mijn vragen door het fietsen niet worden beantwoord, ik was in elk geval zo uitgeput, dat ik in elk geval een goede nachtrust zou hebben.

En dat is ook wat waard.

zondag 15 september 2013

Ka pumpt op het strand

Zo’n half jaar geleden opperde mijn sportjuf en groene smoothie-goeroe mee te doen aan het Les Mills Beach Workouts 2013. De dag dat ze dat voorstelde, scheen het zonnetje, ontwaakte het voorjaar en begon ik redelijk in de stemming te komen. Sporten op het strand. Het was wat anders dan liggen op mijn handdoekje op het strand en koele drankjes drinken, maar goed, die groene smoothies vond ik aanvankelijk ook geen aantrekkelijk plan en daar had ze me toch ook maar mooi aangekregen. Ik dacht: just do it.

Ik charterde mijn sportieve en gezellige collega, we ronselden nog wat fanatiekelingen op de sportschool, schreven ons in en genoten van de zomer. Aan de workouts van die Les Mills dacht ik niet meer.

Tot de organisatie mailtjes begon te sturen om ons, sporters, te enthousiasmeren. Met klap op de vuurpijl meldde de organisatie zo trots als een pauw dat Monk het event zou afsluiten. Monk?! Ja Monk! Alias George Foreman III, de zoon van de legendarische profbokser George Foreman. Ik was om. Weer of geen weer. Ik moest Monk zien.
 
De week voor het event, zoals Les Mills maar bleef schreven, hield ik het weerbericht nauwlettend in de gaten. Regen. Wind. Hier maar vooral daar een bui. De avond voor het event zag ik dat het er vooral geen zon zou schijnen. Daar gingen we, mijn collega en ik, op zaterdagochtend op naar Scheveningen. Met mooi weer verlieten we ’t Gooi en richting kust striemde de regen tegen de autoramen. We hielden de moed erin. Is straks over. Vast. We parkeerden de auto, liepen richting strand, een stevige wind blies me uit mijn figuur, het opvliegende zand scrubde mijn huid. Ik hield stand en bereikte veilig een strandtent waar het haardvuur behaaglijk knapperde.

Op de afgesproken tijd betraden we de sportarena van Les Mills. Daar stonden we. Het was droog. Er was zand. Veel zand. Ik haat zand. Het is te doen als ik doodstil op mijn handdoekje koele drankjes kan drinken, maar bewegen in zand is een toestand. Mijn sportschoenen zaten binnen no time al snel vol irritante korrels. De master pumptrainers betraden het podium. Een van de vijf had bovenarmen zo groot als mijn bovenbeen maar dan gespierd. “Die leed vroeger aan obese”, vertrouwde mijn pumpjuf mij toe. Ah. Er was nog hoop.

Ken van Barbie met zijn beste armen...

Balancerend in het zand met de gewichten op mijn nek, stond ik te hannesen. God wat verlangde ik naar mijn handdoek en koele drankjes. Daar dacht die vleesgeworden Ken van Barbie heel anders over. “The pain you feel to today, is the strength you’ve tomorrow!!!”, knalde hij over het strand. Het was nog maar de vraag of ik die tomorrow zou halen.
 
 
 
Inmiddels zat het zand overal, was er op de plek waar ik mij bewoog een kuil zo diep ontstaan waar een Duitser jaloers op zou zijn, en vond ik het wel weer welletjes. De zon scheen, dat wel. Nadat we de pumples joelend afsloten, was het de hoogste tijd voor Monk. We zaten er klaar voor. Op de tribune die verder tamelijk leeg was. Daar liep iets. Zou dat? Is dat? Het zag er wel uit als een monk. Ik zat op het puntje van mijn stoel. Ja. Het was monk. Monk krabde opzichtig aan zijn edele delen, bolde zijn schouders en liet zijn armen slingeren. Het was me duidelijk waar zijn bijnaam vandaan kwam. Redelijk ongeïnspireerd sloot Monk het event af met een demonstratie van disque; een dodelijk saaie workout met touwtjes en weerstand. Ondanks mijn teleurstelling, joelde ik naar Monk en verliet met mijn sportmaatjes de arena.
 
 
 

We sloten de dag af met het drinken van koele drankjes. Zonder handdoek, maar met een warm vuurtje. Dat dan weer wel.
 
 


En nog wat foto's opdat we niet vergeten:
 

 

 

 
 

woensdag 11 september 2013

Ka wordt voetbalmoeder

De kans dat mijn boenders op ballet gaan, is gering. Tuurlijk, zijn er zat jongetjes die het ambiëren om een pirouette op hun spitzen te maken, maar eerlijk gezegd zie ik mijn mannen dat niet doen. Gevoelsmatig zeg maar.
 
Hoewel ik zelf waterpolo in mijn hoofd had, want daar krijgen ze zo’n gave schouderpartij van en het moederoog wil tenslotte ook wat, dacht mijn oudste daar heel anders over. “Ik wil op voetbal.” Ik verstijfde. Oh mijn god. Voetbal. Ik zag mezelf al staan op winderige, regenachtige zaterdagochtenden langs de lijn van de voetballende peanuts. Met van die ouders die vast retefanatiek hun kroost in beweging schreeuwden. Maar ook zag ik Sylvie van der Vaart voor me. Rijkdom. Dansende blonde lokken, eindeloos figuur. Ik zag mijn zoon, een voetballer van formaat, voor tonnen verkocht worden aan andere voetbalclubs en zijn moeder nimmer vergat. “Want”, zo vertelde hij in interviews, “dankzij mijn moeder ben ik zo ver gekomen.” En pats, daar kreeg ik een vakantiehuis op Ibiza voor mijn verjaardag.

Ik belandde weer op aarde. Goed. Voetbal. Waar moest ik beginnen? Ik informeerde hier en daar. “Mwoah, jah, god, je kunt overal heen. ’t Gooi, Wasmeer…” Facebook bracht uitkomst: een van mijn vrienden deed een oproep. Wasmeer kon ‘gigantjes’ gebruiken. Gozertjes van 5/6 jaar. Nou dat trof: ik had een gigant van 6 jaar thuis lopen die wilde voetballen.

En zo stond ik op een onmogelijke tijd op woensdag –van 18.00 tot 19.00 uur- langs het veld. Samen met mijn kleinste die over een jaar ook een gigant is, of ie nou wil of niet, en met een trotse opa en oma. De jochies ontroerde me, mijn oudste het meest. Trefzeker trapte hij die bal. God. Ik glom. Wilde al die ouders langs het veld er fijntjes op wijzen dat die daar, die zo goed bezig was, de mijne was. Ik besloot het niet te doen. Ik zou namelijk week in week uit met deze ouders op dat onmogelijke tijdstip staan. Mijn bodypumples moest ik opofferen. Maar ja, je bent een voetbalmoeder of niet…

Van het spelletje snap ik overigens niet veel. Vroeger wel, toen ik in de kroeg zat, met twee bier in mijn hand, turend naar een groot scherm waarop Oranje speelde. Toen was ik deskundig. Maar nu? Het zweet brak me uit. Maar wederom kwam een helpende hand via Facebook…

Dit is mijn bijbel de komende jaren!
 

Inmiddels ben ik de bezitter van het boekje “Moeders langs de lijn”, geschreven door Sandra Blikslager. Met een voetbal ABC, antwoorden op vragen als: waarom Marokkanen hun onderbroek aanhouden tijdens het douchen. Kortom dit is mijn bijbel. Die ik over twintig jaar, in de vuurkorf in de tuin van mijn huis op Ibiza, ongetwijfeld ritueel kan verbranden omdat ik dan wederom een deskundige ben.

Maar eerst zal ik me door ellendige jaren met trainingen, voetballertjes naar de tegenpartij rijden en smerige wassen wassen, moeten slaan. Want ja, je bent een voetbalmoeder of niet…



 

 

 

zondag 18 augustus 2013

Ka in het Bos van Blaauw

Ik heb weer een leuke missie voor het schrijven van een verhaal voor de krant: wandelen. Wandelen in het Bos van Blaauw. Leuk! Nee! Ik houd niet van wandelen. Ik vind wandelen een zinloze bezigheid. God wat was ik wanhopig toen mijn addergebroed 1 en 3 jaar was en ze nog niet op een fiets konden zitten en ik met zo’n lompe duokinderwagen overal naar toe moest wandelen. Hoewel de kleinste amper kon zitten, propte ik m al in het kinderzitje voorop. Terwijl de Mama-magazines schreeuwden dat je daar niet te vroeg mee moest beginnen, vond ik het gesneden. Beetje stutten die hap, en jaaaa, fietsen! Wind door zijn donshaar. Veel beter.

Ik geniet niet van een wandeling. Zie ik van die Ko de Boswachters met hun handen op hun rug, tevreden een deuntje fluitend door het bos, omhoog kijkend naar de lucht en bomen dan denk ik: hoe is het mogelijk? Ik moet het sowieso niet in mijn hoofd halen om en te wandelen en omhoog te kijken. Grote kans dat ik mijn nek breek over een eeuwenoude boomwortel. Slecht scenario: met een gebroken been alleen in het grote enge bos. Je moet het onheil zeker niet opzoeken, zo vind ik.

Goed. Wandeling door het Bos van Blaauw. Ik heb zelf geopperd mee te wandelen en er een verhaal over te schrijven. Ondanks dat ik niet van wandelen houd. Maar ik houd wél van verhalen en over het Bos van Blaauw stikt het van de mooie verhalen.

Dus zaterdagavond maak ik me op voor een twee uur durende wandeling. Best lang. Als ik aankom bij de verzamelplek begint het te regenen. Ook dat nog. Dat deert Fred de Rondleider niet; immers ‘de bomen fungeren als paraplu’ roept hij hinderlijk opgewekt. Ja ja. Als iedereen er is, gaan we van start. Ik ruik de natuur, zie het mooie licht en denk: hartstikke leuk, maar twee uur lang wandelen?! Enfin, dapper spazier ik mee. Terwijl ik moet schrijven, fotograferen en op eeuwenoude boomwortels moet letten. Ik zweet me rot. Bovendien heeft Fred flink de pas erin. En bankjes negeert hij systematisch. Gelukkig zijn de verhalen prachtig. En het huis Gooilust dat we van binnen mogen kijken, ook. Daar mogen we even zitten. Krijgen we een glas water en een Wilhelmina-pepermuntje. Ik kom helemaal bij. Ik hoor dat Fred de Rondleider zo hard heeft gewandeld, dat we een half uur eerder terug zijn dan gepland.

Ik ben de enige wandeldeelnemer die dat erg goed nieuws vind.
 
Beetje mijmeren onder een boom, dat vind ik dan wel weer leuk.
 

zondag 28 juli 2013

Ka in de Apenheul

Dit jaar gaan we dagjes uit tijdens de long hot summer. Hoog op het lijstje van mijn mannen, prijkte de Apenheul. Ik dacht zelf meer aan een dagje op een handdoek op het strand koele drankjes drinken. Maar ik was de enige. Dus werd het de Apenheul. Via internet boekte ik tickets met flinke korting. Met datum, maar dat maakte niets uit; het was al weken mooi weer. Mis! Want de dag dat wij naar de Apenheul togen, sloeg het weer om. ’s Ochtends keken we omhoog; beetje bewolkt, maar thank god niet zo bloedheet meer. Om de feestvreugde te verhogen, kozen we voor het openbaar vervoer. Na de eerste overstap reisde het noodweer met ons mee. Regen striemde op de treinraampjes. “Alles wat nu valt, valt straks niet meer ”, hield ik de moed erin, niet wetende dat de natuur nog veel meer voor ons in petto had.
 
Aangekomen op het busstation, moesten we 21 minuten wachten op de bus naar de Apenheul. Meer dan twintig minuten de tijd om te zien hoe knoerthard het regende. “Je denkt toch niet dat ik gek ben, he? Ik ga echt niet in dit pleurisweer naar apen kijken”, siste het opperhoofd. Ehm. Nou, dat dacht ik wel. Ik had immers dik betaald voor die entreekaarten. Zwijgend en zeiknat stapten we de bus in.

De kleinsten hielden de moed erin. Bij de entree kochten we plastic poncho’s. Die trokken ogenblikkelijk vacuüm en de allerkleinste struikelde over zijn plastic jurk, had geen handen meer en wilde naar huihuissss. “Niks ervan, apen kijken”, grijnsde ik. Apen, zo leerde ik al snel, houden ook niet van regen. Dus die zaten die verscholen in de bomen. Incognito. Nadat we echt heel nat waren, brak de zon door. Tafels en stoelen werden drooggewist en ik ging lekker zitten met een bak koffie. Vlakbij de speeltuin zodat ik de kleinsten in de gaten kon houden. “Kimberly. Kimberrrrrllllyyyyyy. Hierrrrrr”, tetterde een vrouw in een zeiknat hemdje zodat haar tatoeages goed zichtbaar waren, in mijn oor. Even dacht ik dat ze haar hond riep, maar er kwam een meisje aan. Aan het andere tafeltje zat een heel dikke kerel met een fotocamera met echt een joekel van een lens. Ook hij had slippers aan zodat zijn tenen met kalknagels voor heel de natie en voor mij dus, zichtbaar waren. Ineens begreep ik waarom apen soms agressief op mensen reageren. Zelfs ik had moeite me te beheersen…

Goed, nog een rondje apen dan maar. De kleinste verdween in een klimrek, waar ie vervolgens nooit meer uitdurfde te komen. Het opperhoofd wurmde zich met een rood aangelopen hoofd naar boven en redde de kleinste. Nog maar eens koffie. De kleinste wilde een ijsje, holde naar een klimrek, struikelde en hopsa, daar vloog zijn perenijsje hoog in de lucht. Knie stuk, perenijsje onder het zand….
 
Als een soort vacuüm gezogen koffiepak, kijkt de kleinste naar een aapje.
 

Op naar het souvenirwinkeltje. Nadat ik zo ongeveer wortel stond te schieten (“zal ik deze nemen of die, mam? Of die bruine?”) in de shop waren ze eruit. Inmiddels was de zon flink gaan schijnen, en brak het zweet me weer uit. We sjokten naar de bus. “Mijn benen zijn zo stijhijf”, jengelde de kleinste.

 De Apenheul heb ik van de lijst gevinkt. En zo staat nu met stip op 1: een dagje op een handdoek op het strand koele drankjes drinken.

zaterdag 20 juli 2013

Ka fit in 20 minuten

Op de redactie komt een persbericht binnen van Fit20 in Laren. “Fit in slechts 20 minuten per week. Omkleden en douchen niet nodig.” Wacht even. Omkleden en douchen niet nodig? Godsonmogelijk. Als ik een uur gepumpt heb, voel ik de zweetdruppels over mijn rug glijden en komt er een lucht van mijn lijf die alle vliegen in een klap doodt. Voor niemand leuk dus als ik in die kleren de dag doorkeutel. Doel van het persbericht is geslaagd: ik sta op scherp. Dit wil ik tot op de bodem uitzoeken. Dus maak ik een afspraak met de personal trainer van Fit20.
 
’s Ochtends pump ik vrolijk en daarna stap ik op mijn fiets en trap naar Laren. Onderweg heb ik visioenen van Larense kakdames in mierzoete roze mantelpakjes -die ik van mijn leven niet zal dragen-, op torenhoge hakken, strak in de make-up die in twintig minuten topfit zijn. Yeah right. Dat zijn tenslotte hun ‘gewone kleren’.

Fit20 vinden is al een sport op zich; nadat ik er vier keer ben langsgefietst, begint het mij te dagen dat de studio is gevestigd in het Regus-gebouw. Redelijk buiten adem kom ik binnen. Bovendien is het buiten 30 graden, dus ik ben razend benieuwd naar dat sporten zonder zweten. De personal trainer oogt fris en enthousiast. Ze ratelt zonder haperingen de tekst van de folder op die ik na afloop in mijn handen krijg gedrukt. Termen als spierfalen, flight or fight, 5 tot 7 dagen rust vliegen me om mijn oren.

Ik wrijf in mijn handen als ze vraagt of ik het wil proberen. Aber naturlich. En daar ga ik. In mijn gewone kleren op mijn Palladiums, niet echt Larens te noemen. Ik piep nog dat ik al een uur behoorlijk heb gesport. “Prima”, straalt de personal trainer, “dan ben je dus een geoefend sporter die wel wat aankan.” Ik knik dom. Als eerste zijn mijn benen de bok. Ik weet niet hoeveel kilo die eindeloze benen moeten wegduwen. Langzaam telt mijn personal trainer tot 120. Als werkelijk al mijn spieren trillen, mag ik stoppen. “Kon je prima hebben”, zegt ze tevreden. Zo stijf als een hark strompel ik naar het buikspierenapparaat. Buikspieren. Wie dat ooit verzonnen heeft? Waarom zijn die niet van kraakbeen gemaakt? Een bloedhekel heb ik aan die kleine, rottige spiertjes. Ik ontkom er niet aan. En opgeven is vooral geen optie heb ik in de gaten. Braaf ga ik dood in 120 seconden zodat de personal trainer wederom trots op me kan zijn. “Ik zie dat je goeie buikspieren hebt.” Ik glim van trots, denk wel: je kijkt niet goed, maar houd mijn mond verder. Enfin. Na zo’n apparaat of zes voel ik elke vezel in mijn donder. Enorm opgelucht ben ik als de volgende sporter binnenkomt en mijn training erop zit. Ik knipper met mijn ogen. Dit is waar ik op had gehoopt. Zo’n snelle boy met een wit overhemd met stropdas, een nette broek met daaronder van die geruite Burberry sokken en als kers op de taart van die schoenen met een gesp. Ik graai mijn tas, pak mijn fototoestel en zet dit bijzondere exemplaar op de foto. Missie geslaagd.
 
Bijzonder exemplaar toch?
 
Van mijn personal trainer voor twintig minuten krijg ik bij het afscheid een stapel flyers met daarop een bon voor twee gratis afspraken. “Wellicht dat je daar je collega’s een plezier mee kunt doen.” Ik kijk haar niet begrijpend aan. Zo’n hekel heb ik nou ook weer niet aan mijn collega’s….