dinsdag 17 december 2013

Ka in het zorghotel

Ik klop op de deur. Als ik binnenstap zonder een antwoord af te wachten, veert ze op, mijn oude buurvrouw. Geopereerd en wel. Ze is nu aan het bijkomen in een zorghotel. “Ach, wat leuk dat je langskomt. Een cadeautje? Voor mij? Dat had je toch niet moeten doen?” Ze grist het papier eraf en legt mijn doosje bonbons op de stapel andere bonbons. Ik ben niet de enige die denkt dat het een goed idee is die bloedsuikerspiegel van d’r op stang te jagen.

“Wat een toestand hè? Lag ik maandag helemaal klaar voor de operatie, was het te druk in de operatiekamer. Nou jaaa. Wilden ze me weer naar huis sturen”, schudt mijn oude buuf hard haar hoofd. Ze heeft een Milka-reep gebroken en schuift mij een beduimeld stuk toe. “Maar het was allemaal superinteressant in het ziekenhuis hoor. Ik was daar nog nooit geweest. Ik keek mijn ogen uit. Ik kreeg het dus voor mekaar dat ik nog een nachtje kon blijven en niet naar huis hoefde. Ja, Bets blijft me natuurlijk niet heen en weer rijden.” Nee, Bets is gekke Gerritje niet. “Nou, dus dinsdag was ik aan de beurt. Werd ik met bed en al naar beneden gereden. Ik maar om me heen kijken, dus zegt die aardige broeder ‘zal ik uw hoofdsteun wat hoger zetten, dan kunt u beter loeren’. Nee hoor doe geen moeite, zeg ik tegen die broeder, ik heb geen bril op, ik zie toch niets. Die broeder moest zo hard lachen, dat ie tegen de muur aanreed.” Haar schoudertjes lachen mee.

Ik vraag haar of ze zenuwachtig was voor de operatie. “Welnee joh. Ik was juist heel kalm. Ik denk dat ik daardoor ook bijna geen pijn heb gehad.” Het heeft vooral geen zin daar tegenin te gaan. “Fijn. Was je helemaal onder narcose?” Ze kijkt me aan of ik niet goed bij mijn hoofd ben. “Welnee, ik kreeg een ruggenprik en ik zou een roesje krijgen. Ik werd de operatiekamer ingereden, mooi daar, moooi! De chirurg gaf me een hand en ze vroeg aan de anesthesist of ik geen roesje moest. De man keek me onderzoekend aan, tuitte zijn lippen, gaf me een knipoog en antwoordde ‘nee’. Kon ik er mooi bijblijven.” Mijn bewondering voor dit oude mensje groeit per minuut. Als ik het ziekenhuis inloop krijg ik al de kriebels. En als ik wat moet laten doen, val ik bij de gedachte alleen al zo ongeveer flauw. “De chirurg schraapte alles uit mijn blaas weg met ja, met wat? Het leek wel zo’n ding dat je ook in de tuin gebruikt.” Wonderlijk vindt ze vooral dat ze zag dat haar benen omhoog lagen, terwijl ze niet wist dat ze dat hadden gedaan.

“En nu zit ik hier. Over tien dagen krijg ik de uitslag. Voorlopig mag ik in dit zorghotel blijven. Heerlijk. Ik slaap me gek. Ik lijk wel een marmot. Ben zo moe. Mijn broer zei dat ik een beetje moet toneelspelen en net moet doen alsof ik het heel zwaar heb. Dan kan ik mooi wat langer blijven. Vandaar dat ik met een rollator loop. Heb ik niet nodig, maar staat wel interessant”, fluistert ze, bang dat het zorghotelpersoneel haar ontmaskert. Dat ze voor elke dag die ze in dit zorghotel doorbrengt veel geld moet betalen, vergeet ze voor het gemak.


We sloffen naar beneden, naar het restaurant. Voor de tweede keer vandaag veert mijn buuf op. “Kijk, daar komt Bets aan.” Ah. De chauffeuse. Bets geeft me een knokige hand. Haar wenkbrauwen zijn net even te donker geverfd, haar gezicht behoorlijk gerimpeld. Ik haal koffie voor Bets. Kakelend zitten de oudjes aan tafel, Bets met haar vinger in haar oor, omdat haar oorapparaat piept. “Ik durf ‘m niet uit te doen, ik heb geen doosje bij me”, zegt ze. Mijn oude buuf lacht. Ze pakt mijn hand. “Ik ben van plan om hier nog wel twee weken te blijven, wil jij dan op mijn huis passen? Of belast ik je dan teveel?” Ik grijns. Ik zwaai ter afscheid. En steek mijn duim op als mijn oude buuf vraagt hoe het met haar kerstster gaat…

Heb ik groene vingers of niet? De kerstster van de buuf staat er toch prachtig bij?!

Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij!

maandag 9 december 2013

Ka schrikt van het nieuws

Mijn buurvrouw van bijna 80 jaar moet naar het ziekenhuis. “Ik heb wat bloed in mijn urine. Ik denk een steentje in mijn blaas”, haalt ze haar schouders op. Ik hoop het maar.

Gisteren had ze het onderzoek. ’s Avonds bel ik bij haar aan, benieuwd naar de uitslag. “Nou, ik moest dus naar dokter Wamink en hij vertelde mij dat het niet goed was”, verhaalt ze emotieloos. “Hij liet mij de foto zien. Kind, het zag er prachtig uit. Het leken wel van die weelderige zeeanemonen. Ik heb altijd van die mooie dingen. Toen ik staar had, zag ik prachtige kleuren. Maar goed. De dokter zei dat het voor 90 procent zeker kwaadaardig is. Ik hoor bij die tien procent die mazzel heeft. Lijkt me logisch”, besluit mijn oude buuf. “Je hebt dus waarschijnlijk kanker”, vraag ik haar recht op de man af. Hard gaat haar telefoon. “Oh, god, even opnemen hoor”, terwijl ze naar de rinkelende telefoon gaat, laat ze een wind. Ook dat nog. “Hallo Bep. Ja, ik houd het kort ik heb bezoek. Mijn buurvrouwtje. Nou jaaaa, buurvrouwtje, buurvrouw. Ze is twee keer zo groot als ik.” Met stijgende verbazing hoor ik het gesprek aan. Ze hangt op. De hele situatie werkt me op mijn lachspieren.

“Ik word maandag geopereerd. Ik zeg nog tegen die dokter, ‘nou dat komt niet zo goed uit. Ik ben jarig in december en bovendien ga ik 23 december op vakantie’. Daar had ‘ie geen boodschap aan. Ik moet zo snel mogelijk onder het mes. Wat een toestand, nou moet ik al die mensen afbellen voor mijn verjaardag.” Weer gaat de telefoon. “Hallo Jo. Ja, wat erg he? Je hebt het ook gehoord? Nee, ik kan mijn verjaardag niet vieren nee. Ik ga ophangen, ik bel je nog. Dag Jo.” Feilloos pakt ze de draad van ons gesprek weer op. “Waardeloos toch? December is altijd zo’n gezellige maand en nou zit ik dan alleen thuis.” Ze roert veel te hard in haar melk met thee en kijkt even wezenloos voor haar uit. Ik vraag of ze bang is. Ze schudt haar hoofd. “Ik heb altijd gedacht dat ik dood zou gaan aan een hartaanval. Kanker is niets voor mij. Moet ik eigenlijk handdoeken en washandjes meenemen naar het ziekenhuis? Weet jij dat?” Ik leg haar uit dat ze in het ziekenhuis voldoende handdoeken en washandjes hebben. “Wel neem ik voor elke dag een schone pyjama mee. Dat moet. Toen Koos vijftien jaar geleden in het ziekenhuis lag, moest ie elke dag een schone pyjama aan”, ratelt ze. Ik heb geen idee, maar knik. Wat maakt het uit een pyjamaatje meer of minder?

“Oh”, springt ze van de hak op de tak, “ik moet niet vergeten de notaris te bellen. Voor een levensbeschikking. Stel je voor dat ik in coma raak, dan lig ik daar maar van niks te weten en dan staat mijn huis hier maar te staan. Dan kan mijn broer het niet eens verkopen. Of misschien word ik wel dement, dan is het toch fijn als het huis gewoon verkocht kan worden. Zonde van het geld toch?” Ik knik dom. Krijg de indruk dat mijn oude buuf het slechte nieuws niet goed kan overzien. “Als ik wat voor je kan doen, je naar het ziekenhuis rijden, of je hand moet vasthouden, dan zeg je het hè?” Ze kijkt me aan en denkt na. “Als ik langer dan drie dagen in het ziekenhuis moet blijven, wil jij dan mijn kerstster een beetje water geven?” Voordat ik kan zeggen dat dat geen enkele moeite is, gaat haar telefoon weer. Met afhangende schoudertjes loopt ze er heen, haalt diep adem, om voor de zoveelste keer het verhaal te vertellen. Haar slechtste verhaal ever.  

"Als ik maar niet in coma raak", hoopt mijn oude buurvrouw.

donderdag 5 december 2013

Ka ziet Sinterklaas

Het is raar om ’s avonds de school van mijn boenders in te gaan. En toch doen we het. Het is woensdagavond vijf uur en ouders zijn uitgenodigd om de koele sinterklaasknutsels van hun kroost te bewonderen. In het lokaal van mijn kleinste staat een bak pepernoten. “Zelf gebakken”, klopt mijn kleinste zichzelf trots op zijn kippenborstje. “Je mag gerust nemen hoor”, moedigt zijn juf mij aan. Daar was ik al bang voor. Net op tijd kan ik voorkomen dat ik mijn kleinste enorm teleurstel, en dapper graai ik in de bak. Ze zijn tenslotte loeiheet gebakken dus eventuele snotjes en andere viezigheden zijn wel vernietigd, maak ik mezelf wijs.

Mijn boenders genieten. Als ik ’s avonds thuis ben, mijmer ik wat. Over vroeger. Mijn moeder heeft wat leugens moeten verzinnen om ons te laten geloven in Sinterklaas. Wij woonden namelijk tegenover een bedrijf dat kleding verhuurde. En in december sloeg dat bedrijf zijn slag met het verhuren van Sinterklaas- en Pietenpakken. Dat er talloze Pieten in en uit liepen, dat vonden mijn broer en ik niet zo vreemd. Je had immers duizenden van die zwarte kereltjes, maar dat er continu een Sinterklaas de woning verliet… dat was wat moeilijker te verteren.
 
Mijn broer en ik zaten in december dagen tegen het raam geplakt. “Mahaaaam, daar gaat er weer een!” Het zweet brak bij mijn moeder uit. Soms wel zeven keer op een dag. We zagen hoe klunzig die Sinterklazen in een veel te klein Opeltje stapten, hun mijter verloren of op hun tabberd stonden. Met daarom heen drie Pieten die in hun zojuist aangetrokken gehuurde kostuum piesten van het lachen. Wat een amateurs. Mijn moeder vertelde dat in die woning de stomerij van Sinterklaas was gevestigd. Later werden die amateurs als hulpsinterklazen bestempeld en toen mijn broer en ik van ons geloof waren gevallen, was het hilarisch om te zien.
 
"Hee Luuk, het is niet meester Hans, kijk maar want die staat daar!"
 
Mijn kleinste en grootste geloven nog. Hoewel ik vanochtend bij de oudste een klein barstje in zijn geloof ontdekte. “He, Luuk, het is niet meester Hans, kijk maar die staat daar”, wees hij zijn vriendje. Ik slikte. Voor hem kon dit wel eens het laatste jaar geloven zijn, dacht ik ontroerd.

Maar god, wat zat ik er naast. Toen de veel te lange Sinterklaas met zijn veel te grote mijter naar de gymzaal stiefelde, scande ik de zaal af naar mijn oudste. Daar zat ie. Zijn gezicht wit en ernstig, zijn oren rood. Niks bravoure, niks ‘hee Luuk het is niet meester Hans’, nee, ik zag ontzag. Diep ontzag voor die verklede kerel.

Het deed me deugd.
 
 
Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij!
 
 

maandag 2 december 2013

Ka ontmoet Roy Donders

Ik ben nauwelijks op de hoogte van de laatste mode en trends. Wel weet ik dat wij in ’t Gooi, stylisten hebben. Ik noem een Mari, ik noem een Leco. Sinds kort kan ik Roy Donders aan mijn lijstje toevoegen. De stylist uit het zuiden. Ik vind Roy geweldig. Roy bedient vooral het kermis- en woonwagenkamppubliek. Hij steekt ze schaamteloos in shirts vol glitter. Hun haar voorziet hij van harde krullen, een stijl van kappen die vele kappers schuwen. Eerst spuit hij een bus haarlak leeg om vervolgens krullen te maken. Het gesis dat je hoort, komt van de föhn. Dat is het schroeien van de haarlak stelt hij menig vrouw gerust.

Sinds vorige week heeft Roy Donders aan zijn collectie de huispakken toegevoegd. Een soort vormeloze joggingpakken in opvallende kleuren, voorzien van strikken en glitters. “Zorg dat je er op je mooist uitziet en voel je als een vis in het water in je huispakske”, is zijn motto. Deze huispakken waren te zien op een Gooise beurs. Natuurlijk moest ik daarbij zijn.

’s Ochtends kwam ik aan, omdat mijn wederhelft de auto nodig had, leende ik de auto van mijn vader. Een Suzuki Wagon. Soepel parkeerde ik het hondenhok tussen de Porsches en BMW’s. Binnengekomen werd al snel duidelijk dat ik nogal buiten de groep viel wat kleding betreft. Ik zag ze kijken, die perfect uitziende Bussumse dames met afhangende mondhoeken.

God, wat was ik blij toen Roy binnenkwam. Het was gelijk gezellig. Daar dacht Roy anders over; vanaf het moment dat hij zijn bus uitstapte tot ie diezelfde bus weer inlaadde, werd hij gevolgd door camera’s. En door mij en mijn sportmaatjes Hellen en Anna. “Ka”, siste Anna, “jij hebt ‘m al gesproken, zorg dat we met hem op de foto kunnen.” Roy hing inmiddels als een zoutzak in de stoel. “Nondeju! Ik ben zo moe! Ik heb maar twee uur geslapen. Ik ben me toch een partijtje zat geworden.” Het leek me niet zo’n goed moment Roy te vragen.

Zijn zus Rian, gestoken in een zuurstokroze huispak, hield de boel draaiende. “Het is gekkenhuis”, zuchtte ook zij, “als we willen kunnen we elke dag een kledingparty houden. Nou mooi niks daarvan.” Ze duwde haar harde krullen in model. “Ze willen allemaal pinnen, maar we hebben geen pinautomaat”, verklaarde Rian de tegenvallende verkoopcijfers in het Gooi. Het maakte Roy niet meer uit. Hij veerde op voor de RTL Boulevard-cameraman.
 
Roy zit er even doorheen.
 

Hoogtepunt van de beurs, was de loterij. Daar werden producten verloot die de Gooise ondernemers die op de beurs stonden, beschikbaar hadden gesteld. Ik noem een tube tandpasta die niet plakt, een enorm grote -en dus tamelijk onhandige- kaasplank, een zakje risotto en een houder voor je E-sigaret. Wezenloos staarde Roy voor zich uit. Zijn rol in deze buitengewoon sympathieke loterij, was het vasthouden van de bak vol lootjes. Anna was haar lot verloren en verdomd: er viel een prijs op haar nummer. Een dame wurmde zich naar voren om een behangsticker in ontvangst te nemen. Op de vraag of de dame het lot had gevonden, verschoot ze van kleur. “Dat was namelijk mijn lot”, wreef Anna de dame fijntjes in.
 
Verveeld laat Roy het getrokken lot zien.
 

Na de loterij, konden we Roy strikken voor een foto. Het was gelukt. De persdame van RTL was in geen velden en wegen te bekennen, dus we konden schaamteloos op de foto met onze held. Anna duwde de nogal katerige stylist een kaartje in zijn handen. “En jouw eerste personal training is natuurlijk voor mijn rekening”, knipoogde ze. Ook voorzagen we hem van goedbedoelde adviezen. “Laat je niet uitknijpen”, waarschuwde Hellen. “Blijf vooral jezelf”, deed ik er een schepje bovenop. Roy Donders, stylist uit het zuiden, knikte vermoeid. Het liefst sloten we deze jongen in onze warme moederarmen. Maar dat zou de persdame ongetwijfeld afkeuren…
 
Nog even wat foto's...
 




 

 Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij!

donderdag 21 november 2013

Ka eet een omelet in Barneveld

Toen mijn redactiechef mij jaren terug een baan aanbood in Barneveld, moest ik even diep nadenken. Barneveld. Was dat niet iets met kippen en heel veel gelovigen. “Ja, joh, maar daar heb je verder toch geen last van, van die kippen en gelovigen”, bagatelliseerde mijn redactiechef in plat Haags mijn twijfels. Ik zei ja. En ging. Dagelijks tufte ik naar het Kiependarp. Dat ritje voelde telkens alsof ik op vakantie ging. De tijd had behoorlijk stil gestaan daar op die Veluwe. Ik maakte kennis met de bevolking en viel van de ene in de andere verbazing. Die oude dames in het zwart vond ik enorm hip. Oke, hun grijze haar in een knot was wat detonerend, maar dat zag ik dan wel door de vingers. Een collega die het gebied kende, hielp me uit de droom. “Dat zijn refo’s Ka”, grijnsde ie.

Een van mijn redactietaken was het bezoeken van schoolklassen. Gewoon in mijn broek en uiteraard op mijn Palladiums. Ik werd aangekeken alsof ik van een andere planeet was komen aanvliegen. Later zou de meester van de klas me vertellen dat de kinderen nogal ondersteboven waren van mijn broek. Ik keek naar mijn benen. Niks mis mee, geen vlekken, geen gaten. “Vrouwen dragen een rok”, knipoogde hij. “Nou ja”, knipoogde ik terug, “het was heel simpel. Ik had vanochtend twee opties: of een broek of niets. Ik koos voor het eerste.” Haastig verliet ik het schoolgebouw, bang dat ze me in hun sekte zouden opnemen en ritueel met broek en al zouden verbranden.

Mijn collega die het gebied kende, drukte me op mijn hart om niet te vloeken. Ik vloek niet zoveel, maar er zijn momenten dat ik kan klinken als een bouwvakker die op zijn duim slaat. Ik knoopte het advies in mijn oren. Stapte nietsvermoedend een klaslokaal binnen en om het ijs te breken zei ik: “Jeetje, wat een gezellig lokaal.” Twintig kleine ijskonijnen keken me vanachter hun schoolbankje verschrikt aan. Ik begreep er niets van. De knipogende meester vertelde mij later dat de kinderen nogal waren geschrokken van het woord ‘jeetje’. Was toch een verbastering van de naam van god, doceerde hij mij. Ik zuchtte diep. Deed ik verdorie, eh, niet verdorie zo mijn best en ging ik nog de mist in.


Jan van Schaffelaar en Ka....

Vijf jaar heb ik in Barneveld gewerkt en ik moet toegeven, ik heb een zwak gekregen voor dat kippendorp. Nog steeds maak ik regelmatig het ritje naar de Veluwe, nu om er met mijn oud-collega’s te lunchen en oude koeien uit de sloot te trekken.
 
Zo ook gisteren. Ik dacht dat ik de verbazing voorbij was. Mis! Mijn oud-collega Maaike -zelf geboren en getogen op de Veluwe- haalde mij bruut uit mijn droom. “In dit hele pleurisdorp is geen fatsoenlijke kalender te vinden”, baste ze. Geen fatsoenlijke kalender? “Nee”, riep ze, “vorig jaar trok ik zo’n weekagenda uit een schap en thuisgekomen dacht ik dat ik gek werd. De week begint hier op zondag. Weet je hoe onhandig dat is? Dan heb je je weekend dus niet in een oogopslag naast elkaar. En dáár gaat het nou juist om”, brieste ze. Mijn mond viel open. Dat dát bestaat. Ik had er geen idee van. “Nou, dan heb je ook de aparte schappen van de kerstkaarten zeker over het hoofd gezien”, schampte Maaike, “je hebt de gewone Fijne Feestdagen-kaarten, en in een apart rek de Goede en Gezegende Kerst-kaarten.” Ik verslikte me in mijn omelet. Zouden mijn superwarme thermosokken waarop ik mezelf vlak voor de lunch trakteerde ook goed en gezegend zijn? Laat ik het hopen, dan zit ik er tenminste warmpjes bij tijdens de ongetwijfeld koude winter die voor de deur staat te drammen. Please! Laat het in godsnaam zo zijn...
 
 
Ja, Ka grijnzend voor de Oude Kerk... 
 
 Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij! 
 
 
 

donderdag 14 november 2013

Ka is geen verpleegster

Ik kan niet zo goed tegen bloed. Of liever gezegd: tegen medische toestanden. Omdat ik zo enorm empatisch ben, voel ik de pijn van een ander. Ik val niet flauw, maar voel me niet lekker als iemand zijn vinger eraf zaagt. Je hebt dus niet zoveel aan mij als je iets heel ergs is overkomen.

Jaren geleden werd ik gepolst of ik BHV’er op het werk wilden zijn. Ik? Ja. Jij! Dat ik er extra voor betaald werd, gaf de doorslag. Ik tufte naar een omgebouwd fort vlakbij Zaandam. Het was in de tijd dat TomTom nog moest worden uitgevonden, dus ik kwam veel te laat aan en had zo ongeveer de hele Zaanstreek gezien. Ik was zo laat dat ik eigenlijk niet meer mocht meedoen aan de cursus. Ik gooide al mijn charmes in de strijd en godzijdank lieten ze me alsnog toe.
 
Op weg naar het lokaal steeg mijn bloeddruk naar ongekende hoogte toen ik struikelde over een man met een enorme beenwond. Hij lag een beetje ongemakkelijk tegen de muur aan te kermen. Het zweet brak me uit. Wat te doen? Ik besloot snel naar het lokaal te sneaken en daar hulp te halen. Ik werd smakelijk uitgelachen. Bleek een Lotus-slachtoffer te zijn. Dat zijn mensen die zo realistisch mogelijk een slachtoffer van een ongeval uitbeelden. Zijn ze voor opgeleid. Nou die kermende kerel was vast met vlag en wimpel geslaagd. Dat hele BHV-gedoe was niks voor mij. Tijdens het reanimeren brak ik de nek van de pop wat me een fikse uitbrander opleverde. Natuurlijk moest ik helpen bij de Heimlich-greep. Die EHBO-leraar, zo’n smerig kereltje met een snor die thuis niets te vertellen heeft, sloeg gretig zijn armen onder mijn borsten. Ik was niet in de positie bijdehand te doen, dus ik bad of dit asjeblieft heel snel klaar was. Wonder boven wonder verliet ik dat omgebouwde fort met een diploma.

Niet dat mijn omgeving daar beter van is geworden. Nog steeds sta ik niet als eerste op om een omgevallen bejaarde met een gebroken heup van het asfalt af te schrapen. Ook sta ik niet te springen om het hoofd van iemand met een epilepsieaanval vast te houden en het schuim uit zijn mondhoekjes te deppen.

Ik maak een uitzondering voor mijn boenders. De oudste, gezegend met mijn val- en struikelgenen, moet ik regelmatig van straat oprapen. Gapende wonden op zijn knie maak ik trillend schoon terwijl ik vrolijke verhalen vertel. Zo overleef ik.

Laatst was mijn kleinste aan het knutselen. Hij is vier dus rijp voor een nietmachine zo had ik bedacht. Geweldig vond ie het. Totdat het misging. Met een trillend lipje stond ie voor me. Zijn gezicht was wat wit. Paniekerig vroeg ik wat er was. Ik vroeg me koortsachtig af waar ie een nietje in had gejast. Nergens in. Hij stak zijn wijsvingertje naar me uit. Ik moest alle zeilen bijzetten om bij mijn positieven te blijven. Niks nietje. Mijn kleinste had zijn vingertje in een puntenslijper gepropt en m geslepen. Heldhaftig maakte ik het vingertje schoon, plakte er een hysterisch vrolijke pleister op.

Een ding wist ik zeker: dit zou m niet nog een keer overkomen. En dit medische drama kon ik van mijn lijstje vinken.

 
 
Mijn medische bijbel.


 Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij! 

donderdag 7 november 2013

Ka neemt afscheid

Hoewel ik al wat weken thuis boventallig zit te zijn, had ik nog niet echt afscheid genomen van mijn collega’s. Ik ben daar niet zo goed in, afscheid nemen. Ik ben nogal van het emotionele soort. Daar had ik al last van bij het televisieprogramma In de Hoofdrol, in een ver grijs verleden gepresenteerd door Mies Bouwman. Werden er allemaal familie en vrienden van een bekende Nederlander naar de studio gesleurd, en tenslotte kwam er altijd een oom uit Verweggistan die die bekende Nederlander jaren niet had gezien. Dat was in de tijd dat er geen internet maar louter postduiven waren. Steevast werd het een groot tranendal in de studio, en bij mij op de bank ook. Schaamteloos blèrde ik mee. Nog steeds ben ik snel ontroerd. Zeer onhandig want zeg nog maar eens wat mooie woorden als er een enorme prop in je keel zit en je lenzen van boven naar beneden schieten van de tranen.

Enfin. Dit afscheid, gehouden in een leuke kroeg in mijn voormalige werkplaats, was van een ander soort. Hier had ik zin in. Mijn emo-momentje had ik drie weken terug, toen ik mijn bureau op de redactie leeghaalde. Terwijl mijn collega’s, de mensen waar ik dag in dag uit mee had gewerkt, waarmee ik grappen en grollen uithaalde, lijdzaam toekeken hoe ik mijn personal things in twee big shoppers liet zakken, hoopte ik dat ik het droog zou houden. Voor mijn Gooise collega Esther had ik een cadeautje; het boek ‘Doei’ van Kakhiel. Leek me zeer toepasselijk. Dat boek ging gewoon weer mee naar huis, ik kon het niet opbrengen het haar te overhandigen zonder dat ik in snikken zou uitbarsten. Voor niemand leuk als ik zo over de gieren ben. Bovendien word ik er niet mooier van. Een rode neus, rode ogen, overal snot. Nee, ik besloot het naar Esther op te sturen. Met een knoop in mijn maag en tranen in mijn ogen, verliet ik de redactie. Dat was toen.

Nu had ik zin in het afscheid. Samen met nog drie afvalligen. Het was leuk mijn collega’s te zien en even bij te kletsen. Aan de bar zat ik met Esther te roddelen. Ik sloeg twee rosétjes achterover en vond het jammer dat ik het daarbij moest houden. Ik kreeg een doos vol persoonlijke cadeautjes van mijn ex-collega’s. Mijn opperhoofd van toen sprak mooie woorden. Met droge ogen, zelfs stralend, nam ik ze in ontvangst. Geen spoortje emotie. Ik was trots op mezelf. Ook was ik trots op Esther. Want Esther had voor mij een zeer toepasselijk cadeautje. 'Doei' van Kakhiel. Had ze al in huis toen mijn envelop op haar deurmat plofte. Sommige dingen moeten gewoon zo zijn denk ik dan maar weer.
 
Een doos vol cadeautjes van de mensen waarmee ik dag in dag uit op de redactie werkte.

Maar goed. Natuurlijk juichte ik te vroeg. Na de borrel racete ik naar mijn sportschool, op naar de spinningles. Of het nou kwam door de twee rosétjes of doordat ik rustig werd van de fietsflow, ik weet het niet. Maar de hele les lang had ik snot in mijn neus. Een snottebel die ik niet voorgoed kon ophalen. Bovendien prikten de tranen in mijn ogen. Ik haalde hard mijn neus op. Om vervolgens datzelfde snot voor mijn ogen te trappen. Emoties kruipen immers waar ze niet gaan kunnen. En dat is maar goed ook.
 
 

 
Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke twee weken een verse blog van mij!