zondag 21 september 2014

Ka bij de opening van galerie Sharon Manassen


Sharon Manassen aan het werk.

Toen mijn oudste zwemles had, schoof ik wekelijks aan bij een moeder van drie vrolijke jongetjes. De moeder was me al eerder opgevallen: prachtig zwart krullend haar, donkere ogen. Net als haar drie zonen. We raakten bevriend, Sharon en ik, en onze kinderen zwommen zich een baan naar hun diploma's. Toen mijn oudste diploma C in zijn zak had, zagen Sharon en ik elkaar niet meer in het zwembad. Mijn kleinste ging op andere tijden zwemmen en haar kleinste was nog te klein. Toch verloren we elkaar niet uit het oog. Toen het met mij wat minder ging, kreeg ik van haar een klein zilver peertje. "Omdat je een toffe peer bent", knipoogde ze.

Een paar weken terug belde Sharon. Ze had goed nieuws. Heel goed nieuws. Ze opende haar eigen galerie aan huis. In de grote kelder onder haar huis vervaardigde ze haar kunstwerken in zilver. En nu zou daar ook een ruimte bij komen waar ze het kon laten zien. Ik mocht haar interviewen voor www.damespraatjes.nl Over de balans tussen gezin en zilver. Ik zag haar aan het werk. Ik hoorde haar vol passie vertellen over haar werk. Genoot van de zilveren objecten, de geur van haar atelier. En schreef dat verhaal.
Sharon en haar drie mannen.
Op de avond van de opening was ik aanwezig en maakte foto's van de gasten. Ik zag hun gretigheid. Ik zag ze genieten. Maar de mooiste was Sharon: Koningin Zilver in haar zilveren kasteeltje. En ik was trots. Trots dat ik jaren terug aanschoof aan haar tafeltje in het zwembad.

Mijn interview met Sharon is te lezen op http://www.damespraatjes.nl/2014/balanceren-tussen-zilver-en-gezin




Natuurlijk maakte ik veel foto's. Te mooi om niet te delen.

Zilveren lepel in de vorm van eenmannetje.

Prachtige kettingen.
Waar die kettingen uit bestaan? Nou, bonen. Bonen?! Ja!

Prachtig schaaltje op een, precies, walnoot.


Mijn oudste en de oudste van Sharon. De mijne kijkt zijn ogen uit in het atelier.



zaterdag 6 september 2014

Ka springt in vieze sloten

De felbegeerde selfie in da pocket!

“He Ka, doe je mee? Aan een mini mud master in de weilanden tussen de koeien? Voor het goede doel!” Josefien kijkt me hoopvol aan. “Tuurlijk. Lijkt me enig.”
Ik dacht er geen moment meer aan, aan die mini mud master in de weilanden. Tot de dag ervoor. Ik vroeg mijn oudste of hij ook mee wilde doen. Hij knikte gretig. Arm schaap, geen idee wat hem boven zijn kleine hoofd hing. Ik trouwens ook niet. 

We verzamelden op de afgesproken tijd. Eerst mochten de kinderen. Mijn oudste spurtte tussen de koeien door, sprong een sloot in, om er weer zeer flexibel uit te klimmen. En hij finishte. Mijn moederhart brak. Wat een bikkel. Ik fotografeerde hem zo lang, dat de eerste prijs aan zijn neus voorbij ging omdat hij de finish nog niet over was. Ik besloot wijselijk mijn mond te houden.
Wat een bikkel!
Ik slenterde met Josefien naar het startvak. Daar stond Marinka, degene die ons had uitgenodigd. Daar gingen we. We holden door het gras. Aanzienlijk verder dan mijn oudste had gedaan. De eerste sloot kwam in zicht. Koortsachtig zocht ik naar een manier om naar de overkant te komen. Echt handig, elegant en soepel was ik immers niet. Ik nam een soort van aanloop en pletterde vol in de sloot. Mijn enkels zakte diep in de modder. Mijn hardloopschoenen zogen de drek gulzig op. Ik zat vast. Aan de kant stond een vrijwilliger met een fietsband in zijn hand. Alsof dat bandje mij uit die modder zou trekken. Ik hield mijn hoofd koel, trok mijn benen een voor een omhoog en liet mezelf tegen de kant aan vallen. Tergend langzaam klauterde ik uit de sloot. Zo. Nog elf sloten te gaan. Ik besprak met Josefien de tactiek. We zouden niet meer springen, maar lopen door de sloot. Dat ging een stuk beter. De illusie dat we eersten zouden worden, lieten we al ras varen.  We gingen voor de selfie na afloop. Bovendien konden we dit mooi van onze bucketlist afvinken.

Het laatste listige obstakeltje.
We werden er goed in, in dat springen en klimmen. Mijn boenders rolden door het gras van het lachen toen ze ons in het vizier kregen. Aan het eind was nog een listig obstakeltje; we moesten onder een plank door en dat kon alleen maar door je hoofd helemaal onder water te dompelen. Toen ik, happend naar adem bovenkwam, was mijn hoofd volgelopen met drek. In mijn oren, in mijn neus, op mijn tanden. We haasten ons naar stoere brandweermannen die ons met graagte afspoten. Mijn boenders hadden dorst. “Hee mam, kijk: ze zijn gehandicapt en grappig”, wees hij op de medewerkers met een beperking. Ik maakte een praatje met een van hen. “Knap van u”, doelde het meisje op mijn prestatie. Ik kon het alleen maar met haar eens zijn. “Ik durf het niet, ik wil niet in die vieze stinksloten. Bovendien kan het niet eens wat ik ben ongesteld.” Ik verslikte me in mijn slok waterige siroop en kon net op tijd: “Ik ook, maar het gaat prima hoor” inslikken. Dit was iets teveel informatie.

Ik herpakte mezelf en grijnsde dom naar het meisje. Ze bood me stralend een groen verkleurd plakje leverworst aan. Ik bedankte beleefd. Kinderachtig om te denken dat ik zou peigeren door het verkleurde plakje leverworst te eten terwijl ik niet lang daarvoor twaalf keer een poel des verderf had getrotseerd. Maar ik vond het gesneden. Je moest het gevaar immers niet opzoeken.

Klaar voor de start. Heerlijk fris.

Bob tekent zijn vonnis.

Klaar voor de start.

donderdag 4 september 2014

Ka koopt de Harper's Bazaar

Daar is ie: de Harper's Bazaar. Driehonderd pagina's oftewel een kilo.

 Huh? Wat moet jij nou met de Harper's Bazaar? Jij die totaal geen gevoel voor mode hebt, geen idee hebt wat hip en hot is, die al honderd jaar Palladiums draagt? Gaan we nou een beetje interessant doen? He? He?

Nee hoor. Dit is leuk. Cecile Narinx durft het aan om de Harper's Bazaar naar Nederland te halen. Om van het oudste modeglossy een succes te maken. Het tijdschrift weegt bijna een kilo. Bevat driehonderd pagina's. Er was een groot feest rondom de eerste uitgave. Met bekende modeontwerpers. Maar ook Matthijs van Nieuwkerk. Omdat ie een column in het blad heeft geschreven.

Mijn oud-collega Esther triggerde mij. Ze plaatste een foto op Facebook. Een selfie met de Harper's Bazaar. En dat ze zo blij was dat ze m had. Waarom? Wilde ik weten. De enige manier om daar achter te komen, is het tijdschrift kopen.

Dat deed ik dus. En toen viel mijn oog in de winkel op een brief van Harper's Bazaar aan de retailer. Tja. Daar kon ik wel wat mee.

Lees maar:  http://www.damespraatjes.nl/2014/ka-koopt-de-harpers-bazaar




dinsdag 2 september 2014

Ka d’r oudste gaat op kamp

Scoren hoor, met zo'n stoere tas op kamp...
Mijn oudste gaat op kamp. Voor het eerst van zijn leven. Wij zijn niet zo van het logeren en elders slapen. Ik vind het uiterst aangenaam die kippetjes een beetje onder mijn vleugels te houden. En nergens slaap je zo lekker dan in je eigen bed. Toch?
Maar goed. Hij gaat een nachtje in de bossen slapen. Met zijn gappies uit de klas. De Man heeft zich opgeworpen als hulp-vader. Een overnachtende hulp-vader zelfs. Zowel voor mijn oudste als voor mij is dat een enorme geruststelling. Want zo’n hulpeloos leuk kind moet je zo min mogelijk blootstellen aan de gevaren van de grote boze buitenwereld. Toch? Mijn oudste denkt daar heel anders over. Als ik m drie dagen voordat ie op kamp gaat s ochtends stevig omhels en in zijn oor tetter dat ik m ga missen, kijkt hij me vrolijk aan. “Mahaam. Ik ga maar een nachtje weg.” Oh ja. Maar toch.

Mijn kleinste kippetje kan niet wachten tot zijn grote broer vertrekt. Eindelijk het rijk en mij voor zichzelf. Geen ruzie over de televisie, op welk plekje op de bank hij kan zitten. Stralend wrijft ie in zijn kleine handjes.

Op de ochtend van vertrek is het er wat stress. Want ik moet zijn tas nog inpakken. Een zaklantaarn? Zaklantaarn. Ja. Waar is die gebleven? Op het lijstje staat ook: regenpak. Een regenpak? Hebben we niet. Bovendien is het schitterend weer. Hopsa, streep door het regenpak. We gaan de weergoden niet verzoeken natuurlijk. Als laatste staat er op het lijstje, in hoofdletters en talloze uitroeptekens: vergeet je knuffel niet!!!!!!
Otis. Aangenaam.
Ik loop naar zijn nog warme bed en pak Otis. Wie? Otis. Otis is een olifant. Toen mijn oudste werd geboren, kreeg hij een kleine Otis. Als ras ontdekte ik dat er ook grote exemplaren waren. Doodsbang dat ie zijn favoriete knuffel kwijt zou raken, kocht ik vier grote Otissen. In onze kast ligt dus een roedel van die grijze gasten. Otis en mijn oudste zijn onafscheidelijk. Soms gaat ie vreemd met een andere superheld, maar altijd, altijd keert ie terug naar zijn beste en oudste vriendje Otis. Ik pak het grijze beest vast. Hij ruikt naar mijn oudste. Voorzichtig leg ik m op de stapel die mee moet naar kamp.

Het instructieboekje.

Ik pak het lijstje er weer bij. Geen geld, matig snoep, staat er. Ik graai een zak uitdeelzakjes snoep uit de la en gooi het op de stapel. Kan mijn oudste vrienden maken daar in de bossen. Ik check de lijst. Alles heb ik, alles is er. Waar ga ik deze stapel in doen. Een tas. Een tas. Welke tas? Ik stel mijn oudste voor het in zijn eigen tas, die leuke met dat grappige poppetje erop, te proppen. Hij trekt zijn wenkbrauw op en kijkt me aan of ik niet goed ben geworden. “Mahaam. Dat is een tas voor baby’s.” Oh ja. Baby’s. Nee natuurlijk. 

Eindelijk, eindelijk is het zover. Mijn oudste schuift naast De Man in de auto. Met op zijn schoot mijn hippe knaloranje Puma-sporttas. In combinatie met de zak uitdeelsnoep voorzie ik een gouden kamp voor mijn bonkie. En zo hoort het ook.

Doei sweetie, veel plezier!

donderdag 21 augustus 2014

Ka d'r kleinste bezoekt de dokter

Mijn kleinste en ik op onder een dekentje op de bank.


Wij zijn amper ziek. En als we al ziek zijn, hollen we niet onmiddellijk naar de dokter. Gaat wel weer over. Zo waren we met zijn allen verkouden. Hoesten. Proesten. Mijn kleinste was de hekkensluiter wat verkoudheid betreft. Hij had het goed te pakken. "Kinkhoest", wist mijn moeder. Kinkhoest? "Ja, dat heerst."

Ineens kreeg ik het benauwd. Ik ging er niet vanuit dat mijn kleinste kinkhoest heeft. Maar stel nou dat hij een verwaarloosde longontsteking heeft. Dat vergeef ik mezelf natuurlijk nooit. De doorslag gaf de juf, die mijn moeder aanhield toen zij de boenders ophaalde. Juf vond dat hij behoorlijk moest hoesten. En vond dat er even naar moest worden gekeken. Geen ontkomen aan.

Mijn kleinste moest naar de huisarts. Ach ach ach. Dat viel niet mee. Een drama. Huilen. Boos. En bij de dokter timide. Hilarisch. Lees maar

http://www.damespraatjes.nl/2014/ka-dr-kleinste-bezoekt-de-dokter

Dokter Kriebel verovert het vertrouwen van mijn kleinste.

maandag 18 augustus 2014

Ka let op andere campinggasten

De beheerder van de camping verstaat de kunst van het maaien van het gras.

Tijdens de vakantie ben ik druk met het in de gaten houden van andere campinggasten. Want dat kan ik namelijk heel goed. Daar ga ik uitgebreid en goed voor zitten. Het leukste zijn zij die aankomen. Stram en vermoeid uit de auto stappen. Met hun handen in hun zij heel snel de omgeving scannen. Ik wist allang dat er verse kampeerders in aantocht waren, omdat de eigenaar van de camping het gras met zijn tractor maaide. Voor de rest heb ik de beste man niet gezien of gehoord. Zijn taak was duidelijk zwijgend het gras maaien. Een praatje maken met de gasten? Welnee, er moet worden gewerkt. Het gras moet kort.

Aan de overkant van het veld is vers bloed gekomen. Met een caravan. Met een klein meisje. “Goh, wat leuk dat die opa en oma met hun kleinkind kamperen he?”, stoot ik De Man aan. Hij bromt iets. Niet veel later huppelt er ook een jongetje rond. Zo, dapper van die grootouders, hoor, met twee kleinkinderen kamperen. Als oma naar de wc moet en dus onze kant op hobbelt, zie ik dat ze helemaal niet de oma is, maar de moeder. Opa die dan waarschijnlijk geen opa is, holt oma die geen oma is, achterna met een wc-rol. Zij weten nog niet dat er wc-papier aanwezig is. Omdat dit echtpaar nogal fors is en bovendien op elkaar lijkt, krijgen ze van ons de bijnaam de TwinTowers. Het zoontje van de TwinTowers wordt niet veel later het beste vriendje van mijn kleinste. Het kan verkeren.

’s Avonds komt er een dikke BMW met vouwwagen het veld oprijden. Ik ga er lekker voor zitten. Uit die dikke bolide stappen een verveeld meisje van een jaar of twaalf en een klein meisje van ik gok twee jaar uit. Dan stapt hij uit. Een grote kerel met krullend haar en een hippe bril. Een kek gekleurd fleecevest, een afritsbare broek en kaplaarzen. Zij is perfect opgemaakt, een blonde paardenstaart en geheel in het zwart gekleed. Haar parmantige hakjes zakken diep in het sompige gras. Ze laten de boel de boel en wandelen weg. Het begint iets harder te regenen. Na anderhalf uur komen ze terug.

Hij, we noemen hem Emiel, staat met zijn handen in zijn zij naar de vouwwagen te kijken. “Die vouwwagen is van haar ouders geweest”, wijsneust De Man, “hij houdt niet van kamperen, maar doet het voor haar. Nieuwe liefde, kan nog een hoop hebben.” Zij begint met het vouwwagen-opzetten-proces. De kleinste loopt te dreinen, het oudste meisje kijkt nog steeds verveeld. Als wij naar bed gaan, is Emiel nog steeds druk met het opzetten van zijn tent.

Als ik de volgende dag mijn eerste bak koffie inschenk, kruipt Emiel uit zijn vakantieverblijf. Hij zucht. Zet zijn handen boven zijn billen, leunt achterover. Die heeft slecht geslapen, constateer ik. Hij stiefelt naar de wc. Ik hoor het geklepper en zie dat hij op Tommy Hilfiger-slippers loopt. Niet veel later kruipt zij uit de klapkar. Een soepele lange zwarte broek, een strak truitje. Geen bh. Nog steeds haar hakjes aan en perfect opgemaakt. Hoe doet ze dat, vraag ik me af terwijl mijn wallen nog druk zijn met langzaam doch gestaag de aftocht blazen. Ze hobbelt naar de wc. Emiel komt net terug. “Poppetje! Daar ben je! Je hebt helemaal geen wc-papier nodig. Dat hebben ze gewoon hier”, juicht Emiel. Als Poppetje lacht, zie ik barstjes in haar make-up. Uiteindelijk zijn we allemaal gewoon maar mensen. Zeker op een camping in de Ardennen.


woensdag 13 augustus 2014

Ka doet de was

Lekker hoor, Frans wasmiddel.
Allemaal leuk en aardig zo’n vakantie, maar er moet natuurlijk ook worden gewerkt. Is het niet aan mijn conditie, dan wel aan het huishouden in de tent. Dat doe ik met de Franse slag. Ik pas me feilloos aan. Met zijn vieren zweten en knoeien we wat af hier in de Ardennen. Mijn kleinste mannen hebben het knoeien zelfs tot vakantiesport verheven. Daar waar een normaal kind badmintont met zijn vader, knoeien mijn boenders er lustig op los. “Vinden jullie het niet leuk om te badmintonnen?”, probeerde ik nog. Mijn oudste keek me met opgetrokken neus aan. “Met een racket een spaceshuttle in de lucht houden? Neuh, laat maar mam”, en fanatiek kneep hij in de tube Ed & Fred-aardbeienjam zodat er een klodder op zijn broek belandde. Een vuilniszak fungeerde als wasmand.

Toen die zak vol zat, moest ik in actie komen. Ik werd licht paniekerig. Thuis was het hopsa was in de wasmachine, klodder zeep, dopje wasverzachter en draaien met die hap. Maar hier! Hoe zat dat hier? Waar stond dat ding eigenlijk? Ik nam mijn kleinste mee. Omdat ie altijd zo lekker praktisch is. We stiefelden in alle vroegte naar het washok waar de machines ook ergens stonden. Nadat we als twee kippen een rondje om het gebouw hadden gelopen, stak mijn kleinste zijn vingertje in de lucht en zei: “Wacht eens mama, daar staan ze.”

Hij trok een deur open en ja hoor. Daar stonden ze, de blinkende machines. Oh god. Een heel andere dan thuis. Naast me stond een vrouw. Ze had haar was er al ingepropt. Dat was mooi. Zij wist vast hoe het werkte. Nu maar hopen dat ze geen Frans sprak. Ze zuchtte Hollands. Mooi. Ik vroeg haar of zij wist hoe het ding werkte. Ze haalde haar schouders op. Zij wilde ook een was op 40 graden wassen. We wisselden een blik van verstandhouding. Wij, kampeervrouwen onder elkaar, gingen dit fixen. No matter what. Ik vogelde uit hoe we op het juiste programma uitkwamen, zij waar de zeep in moest. We klopten ons zelf nog net niet op de borst. Het magische moment dat mijn jongste met zijn kleine priegelvinger op de startknop drukte waardoor de machine water begon te pompen, vergeten wij kampeervrouwen nooit, maar dan ook nooit meer. Stralend keken we elkaar aan. “Highfive?!”, vroeg ze. Klats! Nou en of!

Drie kwartier later liep ik weer naar de wasmachine. De euforie was verdwenen. In het hok boende een dikke Duitse dame zwijgend doch grundlich een grote witte onderbroek schoon. Achter haar stond een verliefd stel naar de draaiende wasmachine te staren. En mijn was? Mijn was lag bovenop de plank. Zeiknat en troosteloos. Centrifugeren, daar deed die machine niet aan. Wie had er aan gezeten? Wie had mijn was zo neergekwakt?

Ik hing de was op aan een slappe lijn. Die middag bezochten we een stadje. Uitgelaten kwamen we thuis. Wat een domper toen ik de was zag. Het had knoerthard geregend. Treurig hingen de kledingstukken zeiknat te zijn. Nee. Dat kamperen viel niet mee, nee.