Jaaa! Het is Boekenweek. Heerlijk struinen in de boekwinkel, op zoek naar een leuk boek. En hoe fijn dat je daarbij een boekenweekgeschenk krijgt. Ik hou er zo van. Dit jaar is het boekenweekgeschenk geschreven door Tommy Wieringa. Een mooie jonge vrouw. Zo heet het. En ja! Het is leuk.
Ik heb er een blog overgeschreven. Is te lezen op www.damespraatjes.nl
Over vroeger. Het eetlezen met mijn vader. Over hoe hij jodelde in de keuken...
Het is niet waaaar!!!! Echt?! En over dat en andere zaken blog ik. Want ik ben schrijfster. En bloggen is wat schrijfsters doen.
vrijdag 14 maart 2014
vrijdag 7 maart 2014
Ka poetst haar tanden
De tandarts en ik kennen elkaar nu al zo'n kwart eeuw. Aardig man. Maar god wat een een fout beroep heeft ie toch gekozen... Kleinste heeft, net als ik, een zwak gebit. Om vast aan elkaar te wennen gaat hij eens in de drie maanden naar tandarts. En dat gaat niet altijd zonder slag of stoot.
Lees mijn blog maar op www.damespraatjes.nl
Lees mijn blog maar op www.damespraatjes.nl
| Maar gelukkig is daar grote broer om mijn kleinste een hart onder zijn riem te steken... |
donderdag 6 maart 2014
Ka moet naar de borstenpletter
Een half jaar geleden maakte ik kennis met mijn nieuwe
huisarts. Een kordate dame. Ze vroeg naar de medische geschiedenis van mijn
familie. Toen ze hoorde dat mijn moeder rond haar vijftigste borstkanker had
gehad, werd ze alert. Of ik dat al eens had laten controleren? Ik schudde
driftig mijn hoofd. Het idee dat mijn bollen zouden worden geplet in zo’n
apparaat leek me weinig aantrekkelijk. Ik nam het aanvraagformulier voor een
foto aan, stopte het diep in mijn tas. En vergat het. Tot Esther, mijn
oud-collega, mij vroeg of ik al bij de borstenpletter was geweest. Nee. Jahaa, ik
ga heus wel.
Een half jaar later zit ik in het mamacentrum. Vriendelijk
kleuren, fijne stoelen en gratis koffie in deze wachtruimte. Andere wachtende dames.
Sommigen kijken heel zorgelijk. Zouden zij al ellende hebben? Verdorie. Nu ik
hier zit word ik toch een beetje nerveus. Had me nog niet gerealiseerd dat ik
te horen kan krijgen dat het foute boel is. Ik scan het nieuws op mijn
telefoon. Krijg nou wat. ‘Ademtest kan mammogram vervangen’. Zie je nou wel? Ik
had nog een half jaartje moeten wachten. Dan hadden mijn bollen niet in de
pletter gehoeven. Gewoon even diep in- en uitademen en klaar.
“Mevrouw van Leeuwen?”. Goed. Daar ga ik. Gelukkig geen woest
aantrekkelijke arts in opleiding, maar een vriendelijke radiologe. Zo eentje
die me uitlegt wat er met mijn bollen gaat gebeuren. Ik kleed me uit en sta
voor het koude klinische apparaat. Ze pakt mijn rechterborst en moedigt me aan
er achteraan te gaan. Ik lijk wel een homp klei. “Heb je een elastiekje voor je
haar”, vraagt de vriendelijke radiologe me. Ik klei mijn rechterborst weer aan
mijn lijf en spit mijn handtas uit. Nee. Ik heb van alles maar geen
haarstiekje. Niet uit het veld te slaan, deze radiologe. Ze pakt een rubberen
handschoen en draait die in mijn haar. Het zit. Wederom boetseren we samen mijn
rechterborst weer op de plaat. We worden er handig in, de radiologe en ik. De
plaat zakt. Zo. De tranen springen in mijn ogen. Das best strak. Ik doe het
heel goed, moedigt de radiologe me aan. Mijn linkerborst ondergaat hetzelfde
lot.
Ik mag me weer aankleden en moet wachten op de uitslag.
“Mevrouw van Leeuwen? De dokter wil toch nog even een echo
doen.” Mijn harstslag schiet omhoog. Ik kleed me weer uit en ga liggen. De
radiologe legt een rode geruite handdoek over mijn bollen. Ik krijg het koud.
Daar komt de arts. Ze pakt het apparaat en maakt een echo. Ik ben al een stap
verder en denk aan een punctie. Las ik op internet. Het zal toch niet? De arts
tuurt naar het scherm. “Zo!”, spreekt ze verlossende woorden, “het ziet er
allemaal goed uit.” Ik haal opgelucht adem en kleed me weer aan.
Als ik weg wil lopen, roept de vriendelijke radiologe me na.
“Mevrouw van Leeuwen! Kom nog even.” Nee hè. Het was toch goed? Ze wijst naar
mijn haar. “Zal ik de handschoen eruit halen”, zegt ze ernstig. Mijn hartslag daalt.
“En mocht het nog een keer nodig zijn: handschoen maat L. Dat past prima.”
Grijnzend verlaat ik het ziekenhuis. Op naar mijn vriendinnen en koffie.
maandag 3 maart 2014
Ka in de molen
“Gaan we nog wat leuks doen?” is de eerste vraag die mijn
boenders stellen als ze ’s ochtends, ongeacht het tijdstip, hun ogen opendoen. De
vraag irriteert me. Het is een vraag, maar voelt als een verzoek. Een bevel.
Een order. Wij Willen Wat Leuks Doen, Ja?! Dat. Meestal antwoord ik dat ik het
nog niet weet en dat we het wel zullen zien. Vooralsnog nemen ze daar genoegen
mee.
Vandaag kan ik op hun standaardvraag ‘ja’ antwoorden. We
gaan wat leuks doen. We gaan naar opa in Wassenaar. Mijn boenders juichen. Een
uurtje rijden. De grootste blijft wakker en kletst gezellig met me, de kleinste
is in slaap gesukkeld. Als we bij opa aankomen, wordt ie wakker. Hij springt
uit de auto en stiert naar binnen met mijn oudste in zijn kielzog. Opa moet
even wennen aan zoveel kabaal. Hij treft het niet, van een week vakantie –en
dus 24 uur per dag samen- worden ze vooral niet rustig. Integendeel. Het punt
dat ze elkaars hersentjes inslaan is bijna bereikt.
“Kijk eens wat ik voor jullie heb meegenomen?”, straalt opa.
Mutsen en handschoenen uit Sochi. Als twee zotten zitten ze op de bank met hun
muts en veel te grote handschoenen. “Ze hadden maar één maat”, haalt opa zijn
schouders op.
Als het aantal decibellen is overschreden, trekken we onze
jassen aan en gaan naar de winkelstraat. “Gaan we een tosti eten, opa?”, vraagt
mij oudste. Opa vindt het prima. “Ik wil naar de molen”, juicht mijn kleinste.
De wieken draaien. “Als de wieken draaien, dan is de molen open”, weet opa.
Mooi. Eerst een tosti eten dan naar de molen, vul ik het programma soepel in.
In het cafeetje is het niet druk. Een paar keurige Wassenaarse dames eet met
een zuinig mondje een broodje. Nadat mijn oudste een sliding maakt tussen de
tafeltjes en mijn kleinste net even te hard zegt dat ‘ie moet poepen, plaatsen
we onze bestelling. Opa kijkt naar buiten. Ik bestel een soep. Krijg daarbij
een klein stuk stokbrood. God wat ben ik blij dat mijn boenders hun side salad
laten liggen. Als een hongerige wolf eet ik hun restjes op.
| Om tijd te rekken laat ik mijn twee boenders uit raampje kijken. Ik heb tijd nodig om te bedenken hoe we dat kolere trappetje afgaan... |
Op naar de molen. Hoe Hollands, denk ik chauvinistisch. “Ik
ben er ook nog nooit in geweest”, biecht opa op. Het trappetje naar de eerste
verdieping is steil, maar te doen. Het tweede trappetje wordt al een beetje een
toestand. Erg steil en twee oude touwen fungeren als leuning. Ik haal diep adem
en loop naar boven. Daar staan we. Boven op de molen. Mijn boenders vliegen
naar het randje. Terwijl het centrum van Wassenaar voor mijn ogen begint te
wiebelen, roep ik ze paniekerig terug. “Maham, dit is cool”, vindt mijn oudste. Ik
vind het helemaal niet cool. Ik vind het een gammele molen. “Kom we gaan naar
opa”, sis ik. Opa was zo wijs om het tweede trappetje te laten voor wat het is.
Met een soepele beweging draait mijn oudste zijn been op het steile trappetje
en trippelt naar beneden. Ik kijk naar beneden en voel mijn bloed heel snel
stromen. Oh Mijn God. Hoe kom ik naar beneden?! Mijn kleinste piept dat ie niet
durft. Ik ook niet. Oh! Waarom zijn we naar boven gegaan? Ik roep opa en laat
mijn handtas zakken. Ik moet met zo min mogelijk ballast deze trap af. Ga ik
vooruit of achteruit eraf? Zal ik me gewoon naar beneden laten storten? Dan ben
ik overal van af. Oh nee. Ik heb mijn kleinste nog. Oké. Ik haal diep adem,
maak een grote schouderrol en stap op de trap. Het zweet loopt langs mijn
voorhoofd. Een Engelse dame zorgt ervoor dat mijn kleinste het laatste zetje
krijgt om ook op het kolere trappetje te staan. Met één hand houd ik het
gammele touw vast, met mijn andere stut ik mijn kleinste. Nog nooit was ik zo
blij om weer buiten te staan. Opa heeft mijn handtas om zijn schouder. “Was het
leuk?”, grijnst ie. “Mwoah”, mompel ik. “Dat was leuk he, mam?”, high-fived
mijn kleinste. Was ik ook maar gezegend met zo’n kortetermijngeheugen.
| Ja! We leven nog! |
Labels:
blog,
boenders,
Ka,
Karin van Leeuwen,
Life of Ka,
opa,
Wassenaar
vrijdag 28 februari 2014
Ka zit in een natuurhuisje
Vorige week zaten we er, in dat schitterende natuurhuisje in Roosdaal. Vlakbij Brussel. Ja! Was leuk! Voor Damespraatjes schreef ik daar alvast een blog voor. Is nu te lezen!
Maar de kans is groot dat ik er nog een schrijf. Drie dagen en een sidderende volle blogader. Daar moet meer uit te persen zijn...
Maar de kans is groot dat ik er nog een schrijf. Drie dagen en een sidderende volle blogader. Daar moet meer uit te persen zijn...
vrijdag 21 februari 2014
Ka gaat een weekendje weg
Deze week pak ik mijn koffers en ga met mijn mannen een weekendje naar België. Lekker vertoeven in een natuurhuisje. Wat moet ik me daar nou weer bij voorstellen? Geen idee. Volgende week mijn blog daarover.
Maar eerst: stress! Inpakstress! Lees het maar. Mijn blog 'Ka gaat een weekendje weg' staat op www.damespraatjes.nl
Maar eerst: stress! Inpakstress! Lees het maar. Mijn blog 'Ka gaat een weekendje weg' staat op www.damespraatjes.nl
| Moet dit allemaal mee? Ja. Dit moet allemaal mee. |
donderdag 13 februari 2014
Ka wordt getrakteerd
Ik zit net op het toilet als de telefoon gaat. “Ja, ja”,
roep ik, terwijl ik mijn broek ophijs. Het is de buuf. “Ik wil niet meer dat je
voor me kookt”, zegt ze streng. Hoezo? denk ik gepikeerd. Kan ik niet koken
ofzo? Maar nee. Dat is het niet. “Ik moet het weer zelf doen”, zo vindt mijn
oude buuf. Ik vind dat onzin. Het is voor mij geen moeite. Ze wil er niets van
weten.
Niet veel later gaat de deurbel. In haar hand heeft mijn
buuf mijn tupperware bakjes. “Ik heb er wat lekkers ingedaan”, glimlacht ze. Ik
bedank haar hartelijk en loop linea recta naar de vuilnisbak buiten. In mijn
tupperware-bakje zitten onbehouwen brokken. Brokken koek? Chocola? Ik weet het
niet. Ik denk niet dat mijn buuf de intentie heeft mij en mijn gezin uit te
roeien, maar toch neem ik het zekere voor het onzekere en kieper de brokken
weg. Oke. Ik hoef dus niet meer voor haar te koken. Ze belt me op. “Ik wil jou
en je gezin uitnodigen voor een etentje”, biedt ze vrolijk aan. Een etentje.
Mijn hersenen werken als gekken. Een etentje met mijn boenders is niet heel
grappig. Die houden het een kwartier vol en dan is het klaar. “Wat aardig! Weet
je wat, buuf, we maken er een lunch van”, antwoord ik hinderlijk opgewekt. Ik
vind mezelf briljant. Wat een Einstein ben ik. Mijn oude buuf wil gelijk een
datum afspreken. Maar dat kan niet zomaar, dat moet ik met De Man kortsluiten.
Ik houd de lunchboot even af, maar mijn buuf weet van geen wijken.
En zo rijden we zaterdag om twee over twaalf richting het
restaurant. Mijn oude buuf gezellig tussen mijn boenders gepropt. In het
restaurant pak ik een dienblad. “Nou nou, jij weet hier aardig de weg”, tuit
mijn oude buuf haar lippen. Als ik richting brood loop, tikt ze me op mijn
schouder. “Ho ho. Jij gaat warm eten.” Zei ze dat nou hardop? Ja hoor. Met een
uitgestreken gezicht kijkt ze me aan. Ik wil helemaal geen warm eten. Ik wil
gewoon een broodje. De Man heeft zijn dienblad volgeladen. Met brood. Met één
oog dichtgeknepen taxeert mijn oude buuf zijn maaltijd. Ze knikt dat het goed
is. “Maar jij gaat warm eten”, prikt ze net even te hard in mijn arm. Het
irriteert me. Ik wil geen warm eten. En al helemaal niet in dit restaurant waar
studenten er een uur over doen om een tomaat te snijden, laat staan dat ze een
biefstuk voor me moeten bakken. Wederom krijg ik een helder idee. Ik neem soep.
Erwtensoep. Is ook een soort van warm. Het blad van de buuf is nog steeds leeg.
Ik kwak er een kom erwtensoep op. “Lekker buuf, erwtensoep. Kikker je van op”,
grijns ik. Ik draag mijn oudste op twee roggebroodjes met spek te pakken. Die
horen er immers bij.
![]() |
| Erwtensoep. Is tenslotte ook warm eten. |
Naast de kom erwtensoep heeft mijn oude buuf muffins,
koeken, kaasstengels en een appelgebak met heel veel noten op haar blad gezet.
“Voor wie is dat dan allemaal?”, wijs ik naar haar blad. “Voor jullie. Jullie
moeten goed eten.” Mijn boenders zitten na een Fristi, chocoladelolly,
kaasstengel en croissantje tamelijk vol en klagen dat ze misselijk zijn. Ik krijg met moeite de erwtensoep naar
binnen. Niet alleen omdat ik vol zit, maar vooral omdat ik steeds moet kijken
naar het uitgespuugde hoopje spek op het bord van mijn oude buuf. “Dit krijg ik
niet weg. Wat een taaie bende.” God wat ben ik blij dat ik het etentje heb
kunnen reduceren tot een lunch. “Maar we gaan ook nog een keer warm eten”,
waarschuwt de buuf. Voorlopig houd ik die dinerboot flink af, zo heb ik
besloten.
Meer blogs lezen? Elke week schrijf ik een verse blog op www.damespraatjes.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)

