Posts tonen met het label blog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label blog. Alle posts tonen

dinsdag 22 april 2014

Ka sport met Pasen

Voorzichtig doe ik mijn ogen weer open. Waar ben ik? Oh ja! In de sportschool. Liggend op mijn rug op een matje. Of ik voorzichtig omhoog wil komen in een kleermakerszit. Kleermakerszit? Dat lukt toch niet met mijn stramme botten?! Zo goed en kwaad als het gaat, kruis ik mijn knieën. Het ontspannen was goed te doen. Maar god, wat daar allemaal aan vooraf ging…

Tweede paasdag. Een paasevent op mijn sportclub. Mooi. Een beetje beweging kan ik wel gebruiken na het naar binnen stampen van de hele zak holle verstop-eieren, kleffe warme broodjes, calorierijke paastrifle en echte eieren. Ik laat me verrassen, terwijl ik daar eigenlijk niet van houd. We beginnen met bodyattack. Na tien minuten zweet ik als een pakkendrager. Als een circuspaard ren ik samen met de andere fanatiekelingen rondjes, moet ik een burpee maken. Een wat? Burpee? Dat klinkt als een zure oprisping. Ik kan verklappen dat je dat er wel van krijgt. Bij een burpee laat je je op de grond vallen in opdruk-positie, je springt naar voren, staat op en springt weer omhoog. Zoiets. Na drie burpees moest ik aan het zuurstof. Gelukkig had ik mijn koffie in mijn to go-beker mee, zodat ik de broodnodige cafeïne erin kon meppen. Ongetwijfeld mijn redding.

Een burpee. Nee geen zure oprisping, maar een dodelijk vermoeiende oefening.


Na de attack werd grijnzend de bodysteps aangekondigd. Oh god. Steppen. Kon ik een toeval faken? Als er iets is dat ik niet kan, dan is dat het wel. Ik ben super onhandig, heb moeite met links en rechts uit elkaar te houden en ben zo niet ritmisch. Ik deed mijn stinkende best en was tevreden over het resultaat. Ik kon er geen zak van, maar had in elk geval al mijn tanden nog en kon mijn enkels nog bewegen. Na de attack een rondje bodypump. Kijk. Dat begreep ik tenminste. Ik laadde mijn barbell vol gewichten en ging er tegen aan. Heerlijk. Toen ik mooi op stoom was, was het de hoogste tijd voor het laatste onderdeel. Bodybalance. Oh ja. Vooral het stukje balans was hilarisch. Leg je rechtervoet tegen je linkerknie aan. Bent u er nog? Nadat ik drie keer was omgevallen, lukte het. Toen moest ik een ‘ster doen’. Een been opzij, armen halleluja omhoog en balanceren op mijn andere been. Godsamme. Dat was nog eens werken. Als hekkensluiter was de tien minuten ontspanning. Daar keek ik naar uit.

Ja hier lach ik nog. Een cobra, das goed te doen. Maar de zonnegroet wel eens geprobeerd?!


Ik lag prinsheerlijk op mijn matje. Klaar voor het Grote Ontspannen. Ik dreef langzaam weg van de zak holle verstop-eieren, het Grote Moeten en andere ballast. Toen ik weg dreigde te zakken in het Grote Niets, werd ik daar ruw uitgetrokken. Pulululiep. Pulululiep. Vlak naast mijn oor lag een mobieltje van een sporter die hinderlijk opgewekt aankondigde dat er een whatsapp binnen kwam. Was totaal uit mijn ontspanning en bedacht me dat ik straks nog even boodschappen kon doen, ik had tenslotte nog geen groente voor het avondeten en de winkels waren open. Nu toch zo lekker bezig was, kon ik gelijk wel even bedenken wat ik morgen zou gaan eten. Wat was het morgen eigenlijk?


Ik kwam bij toen ik de bodybalancejuf ‘paasbrood en eieren eten’ hoorde zeggen. Ah! Er stond wat te nassen. Ik spoedde mij naar de koffiehoek en stampte twee eieren, twee thee, een chocoladekuiken en een paasbroodje naar binnen. Zonder boter. Anders was al dat bewegen helemaal voor niks geweest. 

maandag 31 maart 2014

Ka hoort het over de schutting

Ja, achter de schuttingen vinden allerlei bezigheden plaats...
“Godnondeju! Wat een takkeding!”, hoor ik aan de andere kant van de schutting. Dat is niet mijn oude, keurige buuf, nee, dat is haar tuinman. “Met dit ding kan ik toch geen gras maaien. Dat kan niet. Dat kan gewoon niet.” Hoewel ik haar niet kan zien, weet ik zeker dat ze haar schoudertjes ophaalt. De tuinman baggert door de grasmat. “Oooohoooh, livin on a prayeeeer”, zingt hij nu heel vals mee met Bon Jovi. “He? Wat zegguuu? Een kopje thee? Hebbuuu ook cola?” Het wordt rustig aan de andere kant van de schutting. Mijn oude buuf drinkt een kopje thee met haar tuinman. Na een stief kwartiertje gaat ie weer aan de gang.

“Ik wil een heidetuin”, vertrouwde mijn oude buuf mij laatst toe. Om daar een begin mee te maken, had ze twee minuscule plantjes hei gekocht. “Kijk, daar staan ze”, wees ze me. Ik keek haar aan. “Wat denk je? Zal ik ze nog weelderig en tierig zien worden?”, grinnikte ze. Ik vrees het niet. Naast die minuscule plantjes hei staat er in haar tuin een scheve heg, een veel te grote kluit lavendel, struikjes die al jaren terug overleden zijn en hier een daar een verdwaalde bloembol. Deze flora is geplant in een uitermate hobbelig landschap. Of liever gezegd: de tuinman heeft voor deze hobbelige toestand gezorgd. Die kan namelijk niets normaal. De deur  van zijn Opel Corsa doet ie niet met zijn hand dicht, nee, daar gebruikt hij zijn rechterbeen voor. Ik probeer het te vermijden, maar mocht ik onverhoopt naar buiten moeten als hij de voortuin onder handen neemt, zorg ik dat ik een helm op heb. De keren dat de bezem van de steel afvloog zijn niet te tellen. Als ie blad weg blaast, zit ons hele huis onder de tuinafval. En als hij harkt, ja, dan er ontstaan er hobbels. Veel hobbels.

“Ach, het is zo’n aardige jongen”, vergoelijkt mijn oude buuf de brute tuinman als ik vraag waarom ze m steeds weer belt. Driftig veegt ie bladeren van het pad. “Waar motten die bollen kommen?”, vraagt ie mijn oude buuf, terwijl hij met een enorme schep kuilen graaft. Mijn oude buuf aarzelt. Dat duurt hem te lang. Hopsa. Hij flikkert de bollen in de door hem gegraven kuilen. “Dan is het verrassing wanneer er bloemetjes komen”, grijnst hij dom. Mijn oude buuf knikt. Ook dom.


Niet veel later gaat de telefoon. Mijn oude buuf. “Ik kom eens even vragen hoe het met je is. Jij bent ook altijd druk he? Ik zei laatst nog tegen Cornelia, meid, zei ik, mijn buurvrouw is een bezig bijtje. Je hebt ook zulke leuke jongetjes. Enig. Echt enig. Mijn tuinman vindt dat ik een nieuwe grasmaaier moet kopen. Hij zegt dat hij met dat oude ding van mij niet kan werken. Nou, dat moet hij dan maar zelf regelen. Hoe moet ik zo’n grasmaaier thuis krijgen? Kan ‘m moeilijk op mijn rug nemen.” Abrupt staakt ze het gesprek. “Oh!”, zegt ze zacht, “ik moet ophangen. De tuinman bonkt tegen het raam. Hij wil zijn geld.” Ik hoop dat haar raam er nog in zit. Als ik de Opel Corsa knoerthard de straat uit zie en vooral hoor rijden, gaat de telefoon weer. Mijn oude buuf.  Of ik een kopje thee kom drinken. “Hebbuuu ook cola?”, gier ik het uit. Hoewel ze geen idee waarom heeft, giechelt ze vrolijk met me mee. En schenkt een cola voor me in.  

Het duurt nog wel even voordat mijn oude buuf zulke grote mooie heideplanten in haar tuintje heeft staan....

vrijdag 14 maart 2014

Ka domweg gelukkig

Jaaa! Het is Boekenweek. Heerlijk struinen in de boekwinkel, op zoek naar een leuk boek. En hoe fijn dat je daarbij een boekenweekgeschenk krijgt. Ik hou er zo van. Dit jaar is het boekenweekgeschenk geschreven door Tommy Wieringa. Een mooie jonge vrouw. Zo heet het. En ja! Het is leuk.

Ik heb er een blog overgeschreven. Is te lezen op www.damespraatjes.nl

Over vroeger. Het eetlezen met mijn vader. Over hoe hij jodelde in de keuken...


vrijdag 7 maart 2014

Ka poetst haar tanden

De tandarts en ik kennen elkaar nu al zo'n kwart eeuw. Aardig man. Maar god wat een een fout beroep heeft ie toch gekozen... Kleinste heeft, net als ik, een zwak gebit. Om vast aan elkaar te wennen gaat hij eens in de drie maanden naar tandarts. En dat gaat niet altijd zonder slag of stoot.

Lees mijn blog maar op www.damespraatjes.nl

Maar gelukkig is daar grote broer om mijn kleinste een hart onder zijn riem te steken...

donderdag 6 maart 2014

Ka moet naar de borstenpletter

Een half jaar geleden maakte ik kennis met mijn nieuwe huisarts. Een kordate dame. Ze vroeg naar de medische geschiedenis van mijn familie. Toen ze hoorde dat mijn moeder rond haar vijftigste borstkanker had gehad, werd ze alert. Of ik dat al eens had laten controleren? Ik schudde driftig mijn hoofd. Het idee dat mijn bollen zouden worden geplet in zo’n apparaat leek me weinig aantrekkelijk. Ik nam het aanvraagformulier voor een foto aan, stopte het diep in mijn tas. En vergat het. Tot Esther, mijn oud-collega, mij vroeg of ik al bij de borstenpletter was geweest. Nee. Jahaa, ik ga heus wel.

Een half jaar later zit ik in het mamacentrum. Vriendelijk kleuren, fijne stoelen en gratis koffie in deze wachtruimte. Andere wachtende dames. Sommigen kijken heel zorgelijk. Zouden zij al ellende hebben? Verdorie. Nu ik hier zit word ik toch een beetje nerveus. Had me nog niet gerealiseerd dat ik te horen kan krijgen dat het foute boel is. Ik scan het nieuws op mijn telefoon. Krijg nou wat. ‘Ademtest kan mammogram vervangen’. Zie je nou wel? Ik had nog een half jaartje moeten wachten. Dan hadden mijn bollen niet in de pletter gehoeven. Gewoon even diep in- en uitademen en klaar.

“Mevrouw van Leeuwen?”. Goed. Daar ga ik. Gelukkig geen woest aantrekkelijke arts in opleiding, maar een vriendelijke radiologe. Zo eentje die me uitlegt wat er met mijn bollen gaat gebeuren. Ik kleed me uit en sta voor het koude klinische apparaat. Ze pakt mijn rechterborst en moedigt me aan er achteraan te gaan. Ik lijk wel een homp klei. “Heb je een elastiekje voor je haar”, vraagt de vriendelijke radiologe me. Ik klei mijn rechterborst weer aan mijn lijf en spit mijn handtas uit. Nee. Ik heb van alles maar geen haarstiekje. Niet uit het veld te slaan, deze radiologe. Ze pakt een rubberen handschoen en draait die in mijn haar. Het zit. Wederom boetseren we samen mijn rechterborst weer op de plaat. We worden er handig in, de radiologe en ik. De plaat zakt. Zo. De tranen springen in mijn ogen. Das best strak. Ik doe het heel goed, moedigt de radiologe me aan. Mijn linkerborst ondergaat hetzelfde lot.
Ik mag me weer aankleden en moet wachten op de uitslag.

“Mevrouw van Leeuwen? De dokter wil toch nog even een echo doen.” Mijn harstslag schiet omhoog. Ik kleed me weer uit en ga liggen. De radiologe legt een rode geruite handdoek over mijn bollen. Ik krijg het koud. Daar komt de arts. Ze pakt het apparaat en maakt een echo. Ik ben al een stap verder en denk aan een punctie. Las ik op internet. Het zal toch niet? De arts tuurt naar het scherm. “Zo!”, spreekt ze verlossende woorden, “het ziet er allemaal goed uit.” Ik haal opgelucht adem en kleed me weer aan.


Als ik weg wil lopen, roept de vriendelijke radiologe me na. “Mevrouw van Leeuwen! Kom nog even.” Nee hè. Het was toch goed? Ze wijst naar mijn haar. “Zal ik de handschoen eruit halen”, zegt ze ernstig. Mijn hartslag daalt. “En mocht het nog een keer nodig zijn: handschoen maat L. Dat past prima.” Grijnzend verlaat ik het ziekenhuis. Op naar mijn vriendinnen en koffie.


maandag 3 maart 2014

Ka in de molen

“Gaan we nog wat leuks doen?” is de eerste vraag die mijn boenders stellen als ze ’s ochtends, ongeacht het tijdstip, hun ogen opendoen. De vraag irriteert me. Het is een vraag, maar voelt als een verzoek. Een bevel. Een order. Wij Willen Wat Leuks Doen, Ja?! Dat. Meestal antwoord ik dat ik het nog niet weet en dat we het wel zullen zien. Vooralsnog nemen ze daar genoegen mee.

Vandaag kan ik op hun standaardvraag ‘ja’ antwoorden. We gaan wat leuks doen. We gaan naar opa in Wassenaar. Mijn boenders juichen. Een uurtje rijden. De grootste blijft wakker en kletst gezellig met me, de kleinste is in slaap gesukkeld. Als we bij opa aankomen, wordt ie wakker. Hij springt uit de auto en stiert naar binnen met mijn oudste in zijn kielzog. Opa moet even wennen aan zoveel kabaal. Hij treft het niet, van een week vakantie –en dus 24 uur per dag samen- worden ze vooral niet rustig. Integendeel. Het punt dat ze elkaars hersentjes inslaan is bijna bereikt.
“Kijk eens wat ik voor jullie heb meegenomen?”, straalt opa. Mutsen en handschoenen uit Sochi. Als twee zotten zitten ze op de bank met hun muts en veel te grote handschoenen. “Ze hadden maar één maat”, haalt opa zijn schouders op.
Als het aantal decibellen is overschreden, trekken we onze jassen aan en gaan naar de winkelstraat. “Gaan we een tosti eten, opa?”, vraagt mij oudste. Opa vindt het prima. “Ik wil naar de molen”, juicht mijn kleinste. De wieken draaien. “Als de wieken draaien, dan is de molen open”, weet opa. Mooi. Eerst een tosti eten dan naar de molen, vul ik het programma soepel in. In het cafeetje is het niet druk. Een paar keurige Wassenaarse dames eet met een zuinig mondje een broodje. Nadat mijn oudste een sliding maakt tussen de tafeltjes en mijn kleinste net even te hard zegt dat ‘ie moet poepen, plaatsen we onze bestelling. Opa kijkt naar buiten. Ik bestel een soep. Krijg daarbij een klein stuk stokbrood. God wat ben ik blij dat mijn boenders hun side salad laten liggen. Als een hongerige wolf eet ik hun restjes op.

Om tijd te rekken laat ik mijn twee boenders uit raampje kijken. Ik heb tijd nodig om te bedenken hoe we dat kolere trappetje afgaan...

Op naar de molen. Hoe Hollands, denk ik chauvinistisch. “Ik ben er ook nog nooit in geweest”, biecht opa op. Het trappetje naar de eerste verdieping is steil, maar te doen. Het tweede trappetje wordt al een beetje een toestand. Erg steil en twee oude touwen fungeren als leuning. Ik haal diep adem en loop naar boven. Daar staan we. Boven op de molen. Mijn boenders vliegen naar het randje. Terwijl het centrum van Wassenaar voor mijn ogen begint te wiebelen, roep ik ze paniekerig terug. “Maham, dit is cool”, vindt mijn oudste. Ik vind het helemaal niet cool. Ik vind het een gammele molen. “Kom we gaan naar opa”, sis ik. Opa was zo wijs om het tweede trappetje te laten voor wat het is. Met een soepele beweging draait mijn oudste zijn been op het steile trappetje en trippelt naar beneden. Ik kijk naar beneden en voel mijn bloed heel snel stromen. Oh Mijn God. Hoe kom ik naar beneden?! Mijn kleinste piept dat ie niet durft. Ik ook niet. Oh! Waarom zijn we naar boven gegaan? Ik roep opa en laat mijn handtas zakken. Ik moet met zo min mogelijk ballast deze trap af. Ga ik vooruit of achteruit eraf? Zal ik me gewoon naar beneden laten storten? Dan ben ik overal van af. Oh nee. Ik heb mijn kleinste nog. Oké. Ik haal diep adem, maak een grote schouderrol en stap op de trap. Het zweet loopt langs mijn voorhoofd. Een Engelse dame zorgt ervoor dat mijn kleinste het laatste zetje krijgt om ook op het kolere trappetje te staan. Met één hand houd ik het gammele touw vast, met mijn andere stut ik mijn kleinste. Nog nooit was ik zo blij om weer buiten te staan. Opa heeft mijn handtas om zijn schouder. “Was het leuk?”, grijnst ie. “Mwoah”, mompel ik. “Dat was leuk he, mam?”, high-fived mijn kleinste. Was ik ook maar gezegend met zo’n kortetermijngeheugen.

Ja! We leven nog!

vrijdag 21 februari 2014

Ka gaat een weekendje weg

Deze week pak ik mijn koffers en ga met mijn mannen een weekendje naar België. Lekker vertoeven in een natuurhuisje. Wat moet ik me daar nou weer bij voorstellen? Geen idee. Volgende week mijn blog daarover.

Maar eerst: stress! Inpakstress! Lees het maar. Mijn blog 'Ka gaat een weekendje weg' staat op www.damespraatjes.nl

Moet dit allemaal mee? Ja. Dit moet allemaal mee.

dinsdag 4 februari 2014

Ka ziet een foute film

He ja, lekker naar de film. Ik kan me er zo op verheugen. Regelmatig gaan mijn filmmaatje en ik naar het filmhuis. Over welke film we gaan kijken, denken we geen seconde na. We lezen vluchtig de omschrijving van de film en laten ons verrassen. Dat gaat altijd goed. Nou ja, een keer ging het mis. Maar dat was niet onze schuld.

We hadden snel gegeten en hopten naar het filmtheater. Kaartje werd door zijn vriendelijke vrijwilliger gescheurd en wij zakten diep weg in de stoelen. De filmtrailers denderden over het grote scherm en met veel gepiep en gekraak werd het filmdoek op de juiste maat gezet voor de hoofdfilm. Daar begon ie. Ik nam de beelden in me op en raakte in opperste verwarring. Dit was een film over een sekte. Ik kon me niet herinneren dat ik daar iets over had gelezen. Ik stootte mijn filmmaatje aan. Ook zij was in die eerste vijf minuten het spoor volledig bijster. Het zou vast goed komen. Ah. Zie je, daar stond al een man op. Hij beende naar de uitgang. Die ging natuurlijk even naar de collega van die vriendelijke vrijwilliger die de kaartjes had gescheurd om te zeggen dat de verkeerde film was ingestart. Tevreden keken mijn filmmaatje en ik elkaar aan. Komt goed. Groot was onze verbazing toen de man weer terugkwam met koffie. Oh, ja, die had ie gelijk meegenomen toen ie het had gezegd natuurlijk. Logisch. De rare film speelde onverminderd voort. Achter ons begon een echtpaar wat ongemakkelijk te schuiven en te smoezen. We waren niet gek. Zij hadden het ook in de gaten. Vervolgens werd het echtpaar stil en volgde de film weer. Ik begreep er helemaal niets van. Alsof ik zelf in een film was beland. Maar dan een tamelijk foute. Hoe kon het toch zijn dat niemand, maar dan ook niemand in deze verduisterde zaal in de gaten had dat we met z’n allen naar de verkeerde film zaten te koekeloeren?! Het irritante was ook nog eens dat het een onbegrijpelijke film was. Ik begreep werkelijk niet waar het over ging, waar het naar het naar toe ging en hoe lang deze onzin nog ging duren. “Zullen we anders maar gaan?”, siste ik naar mijn filmmaatje. Maar ja. Dat was ook zo wat. Waar moesten we dan heen? Stel dat we bij de verkeerde film zaten, dan was degene waar we naar toe wilden allang bezig. Kon je niet zomaar instromen. Ik zag het al voor me: ik met mijn onhandige lichaam en dikke billen voor een rij mensen schuiven, sorry mompelend. Nee dat ging ‘m niet worden. Bovendien waren we in de veronderstelling dat het zo wel goed zou komen met de film.

De film werd naarmate de tijd verstreek ook niet leuker ofzo. Ik was de verhaallijn al compleet kwijt, begreep niet meer wie wie was. Ik zat me kapot te ergeren. Toen ‘The End’ verscheen draaiden mijn filmmaatje en ik ons om en zochten bevestiging bij de anderen. “Was niet zo’n leuke hè?”, knikte een oude Gooise dame me toe. Niet zo’n leuke? Niet zo’n leuke? Mens, we zaten bij de verkeerde film! Hoofdschuddend verliet de oude Gooise tak de zaal.


Ik besloot het hier niet bij te laten en ging op zoek naar de vriendelijke vrijwilliger die onze kaartjes had gescheurd. Ah. Daar stond ie. We legden onze situatie uit. Hij keek naar onze kaartjes, die hij notabene al een keer had gezien, kreeg een enorm rood hoofd en stamelde: “Ik ben zo terug.” En foetsie was ie. Hij kwam terug met in zijn hand twee gouden kaartjes. Onze vriendelijke scheurende vrijwilliger legde omslachtig uit dat de film die wij wilden zien ’s middags in de Rode Zaal stond gepland, maar op het laatste moment naar de Groene Zaal werd verplaatst. Op onze kaartjes, die ik de dag ervoor al had opgehaald, stond dus nog de verkeerde zaal. En ja, dat had hij moeten zien. Onhandig gaf hij ons twee gouden kaarten. “Het zijn vrijkaarten. Voor het ongemak”, mompelde ie. We sloegen de vriendelijke vrijwilliger hard op zijn schouder. Hij had ons filmleed prima verzacht. “Volgende keer wel goed opletten hè?”, knipoogden we. Want die volgende keer kwam er. Dat stond als een paal boven water.

PS: Vorige week schreef ik deze blog. Ik kon toen niet vermoeden noch verzinnen dat de film die mijn filmmaatje en ik zagen, de film The Master was. Ik wist dat ook niet meer. Totdat ik na de tragische dood van Philip Seymour Hoffman in DWDD in een gesprek belandde, en er beelden werden getoond van The Master. "Verrek. Die film hebben we toen gezien", hyperde ik voor de televisie. Voor mooi zou ik deze film eigenlijk nog een keer moeten zien. Maar dan in de wetenschap dat ik naar The Master kijk...

Daar staat ie: Philip Seymour Hoffman. Wist ik veel...



Meer blogs lezen? Elke week schrijf ik een blog voor www.damespraatjes.nl

woensdag 29 januari 2014

Ka belt met Marco Bakker

‘Ah bah wat un misère. Als Marco staat te blèren…’ neurie ik zachtjes. Ik heb straks een interview. Een interview met Marco Bakker. Telefonisch maar toch. Marco Bakker. Eigenlijk heb ik me nooit verdiept in deze operazanger. Ik ken hem van de film van Theo en Thea, waarin hij een rol speelt. De ontmaskering van het Tenenkaasimperium. Geinige film. En uit dat liedje van Doe Maar dus. Doris Day. Ja, en van dat ongeluk. Maar verder? Nee.

Hier ken ik Marco Bakker van: De Ontmaskering van het Tenenkaasimperium!

“Ja, eigenlijk zou iemand anders Marco interviewen, maar die kan niet. Wil jij? Kan jij? Heb je wel eens zo iemand geïnterviewd?”, vraagt de eindredacteur van het magazine waarvoor ik schrijf. Nee. Dat heb ik niet. Maar wat kan me gebeuren? Omdat ik graag tegen deadlines duw, ben ik ook nu weer rijkelijk laat met het afspreken van een telefonisch interview. Ai.

Als ik wakker word, realiseer ik me dat dit de laatste dag is dat het mogelijk is hem te interviewen. Morgen vliegt ie naar de Antillen. Het is kwart over zes en de stressvlekken vliegen in mijn nek. Waarom moet ik altijd alles uitstellen tot het laatst? Ik ga bellen. Nee! Natuurlijk ga ik niet bellen. Het is kwart over zes. Marco ziet me aankomen. Oké. Niet bellen. Wat dan? Oh ja. Ik ga hem smsen wanneer het schikt dat ik hem kan bellen. Alsof ik naar de voorzitter van de voetbalclub sms, stuur ik de Bekende Marco Bakker een smsje. Rond half tien antwoordt hij uiterst vriendelijk. We smsen wat heen en weer en komen tot een afspraak. Half zeven. ’s Avonds.

Ik speur internet af, lees van alles over Marco Bakker, bereid mijn vragen voor en leef de dag. Om er zeker van te zijn dat mijn boenders niet in mijn oor gaan tetteren of het huis verbouwen terwijl ik Marco bel, stal ik ze bij mijn ouders. “Ja, ben iets later. Moet even Marco Bakker interviewen”, zeg ik zo nonchalant mogelijk, terwijl alles in me juicht. Ik vind het leuk. Ik vind het spannend. Ik vind het een eer. Om vijf voor half zeven is het doodstil in ons huis. Oké. Ik ga zo bellen. Ik zoek in mijn contacpersonen. Ja. Daar staat ie. Marco Bakker. Ik bel m. “Hallooooooo”, klinkt het zangerig aan de andere kant. Ik slik. Marco Bakker. Ik heb hem aan de lijn. Zal ik zeggen dat ik best een beetje zenuwachtig ben. Nee! Das onprofessioneel. En dan volg ik eindelijk een tip van mijn oud-collega Esther op. “Beeld je in dat hij naakt is. Dan is het ineens ook zomaar een mens.” Ik moet toegeven, het is een beetje pikant, maar hee, het werkt. Mijn stem wordt rustig, ik maak zelfs grapjes en heb een prettig gesprek met Marco Bakker, die ook als ie praat een stem als een klok heeft. Als het gesprek klaar is en ik hem een prettige reis wens, kleed ik ‘m in mijn hoofd weer netjes aan. Marco Bakker in een strak zwart pak met een vlinderstrikje is toch net ff een aangenamer beeld.

Als een zot schrijf ik mee tijdens het gesprek.





maandag 27 januari 2014

Ka veegt geen besjes



Schuifelend loopt ze voorbij, mijn oude buuf. Ze zwaait, ik zwaai terug. In haar hand heeft ze een boodschappentas. “Als het 1 februari is, wil ik dat alles weer normaal is”, zegt ze. Hoezo? “Nou dan wil ik gewoon weer alles kunnen doen.” Ik wijs haar erop dat dat over een paar dagen al is. En dat zo’n blaasoperatie je niet in je koude kleren gaat zitten. Ze houdt voet bij stuk. “Zaterdag 1 februari. Klaar uit. Dan start mijn gewone leven weer. Dag hoor”, grijnst ze.

Op naar de winkel. Soms krijg ik hartkloppingen als ik er aan denk dat ze er niet meer zal zijn. Vanaf het moment dat we in dit huis zijn gaan wonen, was zij er. Dat zijn van die zekerheiden die het leven zo aangenaam maken. We helpen elkaar. Ik haar een beetje meer dan andersom, maar dat is geen enkel probleem. Zo was ik, toen we nog maar net naast haar woonden, mijn kliko kwijt. Hoe kan dat nou? Het is toch een nette buurt? Ik scheumde de straat af, checkte alle klikos. De mijne was nergens te bekennen. Verdorie! De buuf zag me voorbij lopen en vroeg zich af wat er was. “Ik ben mijn kliko kwijt. Wie heeft daar nou aangezeten?”, brieste ik. Met grote ogen keek mijn buuf mij aan, haar hand voor mond. “Ik”, hikte ze, “hij staat al voor je poortdeur.” Het zijn van die straatgewoontes die je even door moet hebben. Waar je gewoon even in ingewijd moet worden.

Ook zo iets. In onze straat staan bomen. Ik weet niet precies wat voor een bomen dat zijn, een lijsterbes ofzo, maar er komt een moment dat deze boom zijn besjes laat vallen. Op de dag dat het eerste besje de stoep raakt, ontstaat er paniek in onze straat. Dan wordt het grof geschut uit de schuur gehaald. Bezem, stoffer en blik, groene kliko. Check! En daar staan ze dan, die buurvrouwen, te vegen alsof hun leven ervan afhangt. Normaal praten ze om onduidelijke redenen niet met elkaar, maar die rottige besjes verbroederen. “Wat een ellende hè? Die besjes, ik word er gek van”, zucht de buuf van nummer 103. “Je loopt ze door je he-le huis.” De buuf van nummer 105 knikt. Ik snap er niks van. “Moet jij niet vegen?”, vraagt mijn oude buuf. “Neuh”, mompel ik. Ik heb wel wat beters te doen dan besjes op te vegen. Onderzoekend kijkt ze me aan. “Maar, maar, dat moet”, heft ze haar handen wanhopig ten hemel. Ik haal mijn schouders op en steek mijn hand op.


De dag erna ligt de stoep weer bezaaid met die rode besjes. En weer staan die buurvrouwen als zotten te vegen. Want die bomen zijn nog lang niet leeg. Ik kijk omhoog en constateer dat het ook nog wel even gaat duren voordat al die besjes op de grond zijn gestort. “Nou”, zeg ik, “jullie zijn er maar druk mee, met die besjes.” Ik schop er eentje in de goot en de buurvrouwen staren mij aan. 
Inmiddels heb ik mijn plekje in de buurvrouwenclan veroverd. Ondanks dat ik weiger rode besjes van de stoep te vegen….

Dit zijn ze, die gevreesde besjes.
Meer blogs lezen? Elke week schrijf ik een blog voor www.damespraatjes.nl

woensdag 15 januari 2014

Ka geeft een geluksplantje

De grote dag is aangebroken. De dag dat het medische vonnis van mijn oude buurvrouw wordt geveld. Aan het eind van de middag pas. Ik moet er de hele dag aan denken. Hoewel ik brand van nieuwsgierigheid, bel haar niet. Dat doe ik een dag later.

Helder neemt ze de telefoon op. Ik vraag hoe het gaat. “Uitstekend. Ik heb heerlijk gegeten. Dat gaat hier zo mooi. Ik mag ’s ochtends een lijstje invullen. Moet ik aankruisen wat ik wil eten. Nou jaaaa. Geweldig hè? Ik weet nog steeds niet of mijn verzekering een deel van mijn verblijf hier in dit zorghotel vergoedt, maar dat zal toch wel? Anders heb ik een probleem. Ik zei vanmiddag nog tegen mijn vriendin, ‘Jik”, zei ik, ‘Jik, meid, zorg dat je een potje geld achter de hand hebt. Zodat je in een zorghotel kunt. Ja, als dat nodig is natuurlijk”, giechelt mijn oude buuf. Leuk allemaal, maar dit wil ik allemaal niet horen. Als ze adem dreigt te halen, vraag ik snel: “Hoe was het bij de arts?” “Kind, uistekend. Ze hebben alles weggeschraapt en er zijn geen uitzaaiingen. Ik moet nu elke drie maanden een blaastest ondergaan. Nee, niet om te kijken of ik gedronken heb, maar in mijn blaas”, schatert ze nu. Tegen de arts had ze gezegd: “Zie je nou wel dat ik bij die tien procent hoor die geluk heeft? Ik had gelijk.” Ze had haar stoel naar achteren geschoven, de arts vriendelijk bedankt en wilde weer gaan. “Ik heb het idee dat u het allemaal een beetje bagatelliseert”, had de arts gezegd, “maar u moet zich goed realiseren dat u kanker heeft.” Ze wuifde het weg. So far so good.

Ik vraag haar waar ze oudejaarsavond is. “Hier. In het zorghotel. Ik ben zo moe namelijk, ik slaap echt heel veel. Op 2 januari kom ik naar huis. Bets haalt me, dan zetten we mijn spullen thuis, en gaan terug naar het zorghotel om daar te dineren en dan ben ik weer thuis”, deelt ze me haar programma mee. Alsof ze me verantwoording schuldig is. Voordat ik ophang, vertel ik dat haar kerstster nog steeds straalt. En er florissant bijstaat. “Kind, hoe doe je dat toch?”
De dag dat ze thuiskomt, zet ik een geluksplantje op haar tafel. De uiterst crea bea-bloemist heeft er een schoorsteenvegertje ingezet. Dit geheimzinnige kereltje uit Noord Italië droeg bijzondere kleding met een hoge hoed en zijn geheimzinnigheid maakte hem uiterst geschikt als geluksbrenger, zo weet Wikipedia. Nou, geluk kan mijn oude buuf wel gebruiken ondanks de redelijk goede uitslag.


De volgende dag bel ik aan bij mijn buuf. In mijn hand een bakje met gekookte aardappels en een bakje met bruinebonenschotel. Kan ze lekker aansterken. Vermoeid doet ze de deur open. Ik vraag hoe het met haar gaat. “Ik ben zo moe.” Ik overhandig haar de voedselbakjes. Onderzoekend kijkt ze naar de bruine bonen. “Die wil ik niet. Ik moet er niet aan denken.” Ze schuifelt naar de keuken om de gekookte aardappeltjes in de koelkast te zetten. Ik vraag maar niet wat ze daar bij gaat eten. “Buuf, ik ga weer. Als er wat is: je weet me te vinden hè?”, steek ik mijn hand op. Als ik haar tuinpad afloop, roept ze me terug. Ze drukt het schoorsteenvegertje in mijn handen. “Die hoef ik niet, is leuk voor je boenders. Hoewel die al alle geluk van de wereld hebben met zo’n moeder als jij.” Ik grijns. En vraag wat haar lievelingseten is…

Nou ja, wellicht brengt 't kereltje mij een bak geluk...
Meer blogs lezen? Ga dan naar www.damespraatjes.nl daar staat elke week een verse blog van mij!