dinsdag 26 januari 2016

Ka d’r kleinste haalt zijn C ternauwernood


 
Nee. Het ging niet van zelf dat C-diploma binnen roeien.



En? Heeft ie zijn diploma? Jazeker. Maar dat ging niet vanzelf. Oh? Maar als ze toch mogen afzwemmen dan hebben ze dat papiertje toch eigenlijk al op zak? Ja, eigenlijk wel ja. Maar er kan nog van alles misgaan.

Zo herinner ik mij nog een afzwemmertje voor B in de groep van mijn oudste. Het meisje was met geen tien paarden het bad in te jagen. Haar ouders, de badjuffen, de strengste badmeester werd zelfs van stal getrokken; geen mens kreeg het voor elkaar het kind middels een kikkersprong het water in te krijgen. Ze zette haar hakken in het zand en vertikte het. Het beeld van het gezin dat, met grote vrolijke cadeaus, het zwembad met gebogen hoofd verlieten terwijl het meisje het op een brullen had gezet, staat op mijn netvlies gebrand. Daar ging hun feestelijke dag. Gebeurt niet vaak, weet ik ook wel, maar het kan dus wel.

Goed. De ochtend voor het Grote Afzwemmen. Mijn kleinste heeft een beetje buikpijn, piept hij. Mijn ervaren oudste, expert op het gebied van afzwemmen, zegt dat dat over gaat. Dat ik ook een beetje buikpijn heb, houd ik voor mezelf. Ook ik zit niet op de wijsneuzerij van mijn oudste te wachten.

Daar gaan we. Tas vol kleding en handdoeken. Cadeaus. Mijn kleinste zit wit op de achterbank terwijl mijn oudste hem moed inpraat. “Kijk, je moet gewoon je handen boven je hoofd doen, heel diep duiken en zwemmen. Gewoon zwemmen.” Gewoon zwemmen. Mijn kleinste kijkt uit het raam.

Op het randje kijkt hij ietwat benauwd. Eerst moet hij met zijn kleren aan onder een mat zwemmen. Dat is een van zijn twee bergen. Hij wordt gematst door de zwemjuf; ze tilt de mat een beetje op. Omdat zijn jas vol water loopt, heeft hij namelijk een behoorlijke bochel op zijn rug. Vervolgens komt berg twee: negen meter onder water en door het gat naar boven. Mijn kleinste kijkt me aan, ik knipoog en knijp mijn handen fijn. Daar gaat ie. Zijn haar is al boven water. Wat? Het meisje naast hem zwemt niet door haar eigen gat maar door die van mijn kleinste. Hij kan er niet doorheen. En komt boven. Mijn hart gaat als een dolle tekeer. Nee he? Ja. Hij wordt uit het water gevist. Met een bevend lijf, zijn handen voor zijn mond gevouwen, zie ik m zijn hoofd schudden naar de juf. 

Verslagen loopt hij weer naar de kant. Hij moet nog een keer. Ik kijk om. Mijn moeder durft niet te kijken. Ik hurk voor zijn baan alsof ik hem dan door het rottige gat kan trekken. Hij kijkt me deze keer niet aan als hij erin duikt. Zijn armen langs zijn oren, hij zet af en plonst erin. Het komt uit zijn tenen. Hij ploegt door het water, op naar het gat. Zijn haar is inmiddels boven water. Na een zenuwslopende minuut plopt hij aan de andere kant van het gat omhoog. Het publiek applaudisseert terwijl mijn hartslag normaliseert.


Feest! Een rondje om het zwembad!
De rest van het afzwemmen is een eitje voor mijn kleinste. Dapper harkt hij zowel op zijn rug als zijn buik door het water, drijft als een dode zeester, watertrappelt alsof hij nooit anders heeft gedaan. De opluchting is groot als blijkt dat iedereen, ja echt iedereen, zijn C-diploma heeft gehaald. Ik pink wat tranen weg, knuffel mijn natte jongste fijn en sluit de periode zwemles af. 

Voorgoed.  

vrijdag 1 januari 2016

Ka belandt in 2016


De eerste selfie van 2016 is een feit.

Als ik in alle vroegte wakker word op de eerste dag van het nieuwe jaar, zie ik een zwik appies op mijn telefoon. “Hee Ka, gelukkig nieuw jaar of slaap je al?”  Ja. Hallo het is 1.08 uur. Wat denk je?

Ik heb me door de avond heen gesleurd. Zoals verwacht ging het tot een uur of half tien prima. Mijn oudste en jongste hadden zich ’s middags aangesloten bij een buurtgroepje jongens die alvast wat vuurwerk knalden. Loslaten, ik moet dat loslaten, herhaalde ik als een mantra. Beelden van mijn grootste bonkie met een ontplofte vinger door het vuurwerk, duwde ik weg. Loslaten, loslaten. Toen ze ongeschonden binnenkwamen, installeerde mijn oudste de app ‘Aftellen tot 2016’ op zijn tablet, zodat ik om de minuut hoorde hoe lang ik nog moest. En mijn kleinste om de seconde vroeg hoe lang het nog duurde. Ik voorzag een lange avond.

Natuurlijk keken we naar de Top2000 A gogo en keken mijn mannen met open mond naar kok Pierre Wind die op elke vraag/opmerking van Matthijs van Nieuwkerk in plat Haags ‘kickuh!’ riep. Kickuh? Deze man was nog vetter dan Jochem Meijer, besloten mijn mannen.

Ik pakte een oliebolletje en schoof deze naar binnen, om ogenblikkelijk het medicijnenblik binnenste buiten te keren. Op zoek naar een Rennie.  Mijn kleinste was inmiddels op de grond gaan zitten met een kussentje, viel langzaam om, pakte Muis stevig beet en viel in slaap. One down. Mijn oudste hield het vol, dat wakker blijven maar werd behoorlijk hyper terwijl ik langzaamaan in mijn slaapstand zakte en niet meer zo aanwezig was.

De Man zat in de stoel. Punt brie en toastjes binnen handbereik, evenals de fles Apfelkorn die op de kop af een jaar lang in onze koelkast had gelegen omdat een vriend zei op 1 januari 2015 bij ons een Apfelkorn te komen drinken. Hij is nooit gearriveerd, die vriend, en De Man tikte nu dan maar vrolijk de fles leeg.

Rummikub hebben we niet gespeeld; De Man moest hard werken op zijn virtuele boerderijtje Hay Day, mijn kleinste sliep, mijn oudste genoot van Ik hou van Holland en ik sopte de keuken. Rechtop en bewegend gedijde ik het beste.


Om tien voor twaalf ontwaakte mijn kleinste en rekte zich uit. De Man verdween in de kelder en kwam met twee champagneglazen boven. We telden af met de app van mijn oudste, namen een slok champagne en speerden naar buiten. Ik had een opleving. Sloeg de buren hard op hun schouder en wenste hen het beste. De opleving duurde twintig minuten. Ik zwaaide naar mijn mannen en kroop in bed. Ik zuchtte diep toen ik op mijn rug lag. 2016. Kom maar op. Ik ben er klaar voor.

vrijdag 25 december 2015

Ka gourmet voor het eerst en het laatst



Na jaren van hazenpeper, gevulde kalfsborst, gestoofde peertjes en veel te dure en knoertharde spruitjes, vond ik dat er een frisse wind over de dinertafel tijdens kerstavond moest waaien. Voorzichtig kegelde ik de traditie om. Moest met een alternatief komen. En opeens wist ik het: wij, wij gaan gourmetten. De Man vond het prima, want: vlees. Veel vlees. Mijn ouders vonden het ook fantastisch. Vooral mijn vader vond het mooi dat hij niet meer de hazenpeper in het altijd zo pittoreske maar o-zo drukke Gooise Laren hoefde op te halen. Mijn broer en schoonzus vonden het allemaal best. Als ik het flesje wijn maar niet schrapte, waren zij gelukkig.

Geregeld. Maar nu? Gourmetten. Hoe doe je dat? Wat eet je bij dat vlees? En wat mik je op die bakplaat? Ik googlede me suf en ontdekte dat het echt simpel was. Gewoon rauwe paprika, champignons, courgettes en uien. Sausjes. Een salade. Het leek me ook smakelijk om warme aardappelkroketjes in de oven te schuiven. Dat mocht allemaal, dat gourmetten deed niet zo moeilijk.

Mijn moeder regelde twee bakplaten, die we prominent op tafel zetten. Zout op de bakplaat, knop omdraaien. Een kind kon de was doen. Mijn jongste en oudste vonden het geweldig dat geneuzel op die bakplaat. In no-time stond de kamer blauw. Nee, was helemaal niet erg, hoorde er gewoon bij. Voor de zekerheid hielden we toch maar het grote licht aan, tot grote ergernis van mijn kleinste die eten bij kaarslicht the bomb vindt.

Ik vond het maar niets, dat gourmetten. Het vlees werd taai, de paprika’s verbrandden voortdurend en ik zag het verschil tussen de kipfiletjes en de varkenshaas niet. Ik zette de bak met aardappelkroketjes bij mij in de buurt.

Mijn kleinste slijmde bij mijn schoonzus. “Zal ik voor deze twee stukjes vlees zorgen?”, vroeg hij behulpzaam. Mijn schoonzus knikte. En toen gebeurde het. Mijn kleinste gleed weg van zijn stoel en brak zijn val door zijn handen op de gourmetplaat te zetten. Als de wiedeweerga trok ik m weg, gooide hem onder mijn arm en zette de kraan aan. Mijn hartslag was hoog. Mijn kleinste jammerde. Toen hij siste: “Waarom tilde je me op, ik kan lopen hoor”, haalde ik opgelucht adem; de verwondingen vielen mee. De rest van de avond zat hij met zijn handen in een bak water. Gourmetten hoefde niet meer voor hem. Nooit meer.

Ik sluit me daarbij aan. Ik gourmet nooit meer. Niet omdat mijn kleinste twee blaren bij zijn duimen heeft, maar gewoon omdat ik het gedoe vind. Dat gemeut op zo’n plaat.


Het idee voor volgend jaar kerstavond is al geopperd: een winterbarbecue. Ik heb er zin in. Nu al.

donderdag 17 december 2015

Ka bakt weer worstenbroodjes




Het is weer zover. Het jaarlijkse kerstdiner op school. Dit jaar had ik me voorgenomen het allemaal iets beter te structureren, op tijd te beginnen enzo. Toen ik mijn oudste en jongste vroeg wat ik zou maken, riepen zij als een man: ‘worstenbroodjes. Ha. Dat kan ik.

Vier weken voor het kerstdiner maakte ik al goodiebags voor de juffen want juffen moet je koesteren. “Je denkt toch niet dat ik dat ga geven, he?”, hyperde mijn jongste die menselijk contact soms wat ingewikkeld vindt. Menselijk contact met zijn juf staat boven aan op zijn lijstje van toestanden. Vanachter zijn tafeltje heeft ie babbels voor tien, maar verder niet. Ik schudde mijn hoofd. “Nee, dat dacht ik niet nee”, knipoogde ik naar hem.

Ik sloeg voor een weeshuis knakworsten en croissantdeeg in. En vergat sesamzaadjes. Daar kwam ik achter toen ik wilde bakken. Geeft niks. Gewoon even naar de super. Zo. Alles in huis. Als een malle rolde ik het deeg uit, besmeerde het met ketchup, sneed alles in plakjes en rolde er een worst in.

Omdat ik vind dat mijn mannen lekker schoon aan het diner moeten verschijnen, zet ik mijn kleinste onder de douche en race naar beneden om verder te gaan.

“Zeg mam”, vroeg mijn oudste, “is dat wel halal?” Sorry? Nee. Dit is gewoon een Hollandse sappige knakworst gerold in scharrel croissantdeeg. Niks mis mee. “Ja, maar dan kunnen Mo en Ali het niet eten.” Nee. Mo en Ali kunnen het niet eten. Maar gelukkig hebben de moeders van Mo en Ali waarschijnlijk iets gemaakt dat wel halal is. “Het mooie is, lieve schat, dat jij alles kunt eten. Hoe cool is dat?”, dans ik door de keuken. Daar had mijn oudste nog niet aan gedacht.

Ik haal mijn kleinste onder de douche vandaan, mijn grootste duikt eronder. Alles onder controle. Ik haast me naar de keuken voor de volgende plaat worstenbroodjes. Paniekerig holt mijn kleinste de keuken in. “Mam, die broodjes van jou zijn niet Allah”, roept ie. Niet Allah, herhaal ik dom zijn vraag. “Hij bedoelt halal”, schreeuwt mijn oudste van boven die altijd alle gesprekken die in dit huis worden gevoerd, volgt. Ik schiet in de lach. Nee. Deze broodjes zijn niet Allah maar hebben wel dezelfde letters als halal.

Net op tijd stampen we alles in de auto. Hollen de school in en zetten onze worstenbroodjes op tafel. De juf schuift er een kaartje voor: ‘niet halal’. “Kijk”, wijst mijn kleinste op het bordje, “het is niet Allah.” Gierend rijd ik naar huis in mijn auto die naar knakworst stinkt. Kerstdiner 2015 op school. En we leven allemaal nog… Volgend jaar ga ik het beter plannen. Echt. 


zaterdag 6 juni 2015

Ka overleeft de Avondvierdaagse

“Dus jij loopt niet mee?”, kijkt een moeder mij onderzoekend aan. Nee. Ik loop niet mee nee. Ik ben niet van vier avonden wandelen en zingen. Sterker: ik houd niet van wandelen. Ik vind wandelen zinloos. Alleen met een hond snap ik wandelen. Verder niet.

“Maar”, zeeft de zeurmoeder verder, “jij bent toch hartstikke sportief?” Ik zucht. Rol met mijn ogen. Sportief zijn en wandelen hebben niets, maar dan ook niets met elkaar te maken. Zin om uit te leggen dat niet meedoen met de Avondvierdaagse maar de rest van het gezin wel, ook topsport is, heb ik niet. Bovendien draag ik mijn steentje bij door bij de foerage te staan en die arme wandelstakkers van een pakje limonade, een lekkere koek, en een motiverend woord te voorzien.

De Man heeft zich opgeworpen als wandelregelaar. De juf die dat elk jaar doet, is zwanger en denkt niet elke avond te kunnen wandelen. Ik weet wel zeker dat ze dat niet kan. Dat zou onverantwoord zijn. Bij twijfel niet doen, adviseer ik als anti-wandelaar.

Vier dagen lang zorg ik dat mijn mannen voedsel binnen krijgen, op tijd hun wandelschoenen aan hebben en dat er voldoende E-nummers in hun rugzak zitten. Voor de vorm prop ik er een stuk komkommer bij die steevast onaangetast en opgedroogd retour komt. ’s Avonds als ze uitgewandeld zijn, zet ik ze onder de douche terwijl ik zelf sta te tollen van de slaap.

De laatste avond, is een hysterische. Want: waar lopen ze langs? Wanneer moet ik bloemen kopen? Hoe komen ze bij dat veldje waar ze starten? Wat moeten ze eten? Is het niet gierend druk overal?

De Man is de rust zelve. Het is tropisch warm, dus hij besluit zijn korte broek aan te doen. Ik werp hem een schoolshirt toe. “Die moet je aan”, wijs ik. Hij checkt de maat. XL. Hij wurmt zich in het shirt. Het zit wat strak. Alsof hij een helm heeft ingeslikt. Wijselijk houd ik mijn mond en zeg ‘dat het shirt nog wel rekt tijdens het lopen’. Dat het vooral niet ademt en alleen maar strakker gaat zitten, verzwijg ik. Ooit had ik tijdens een schoolreisje een zelfde shirt aan. Maat XS. Als een levende rollade liep ik door de dierentuin en zag de leeuwen likkebaardend op me loeren.

Ik race naar de foerageplaats, doorsta bliksem en dikke regendruppels, zie mijn bloedjes voorbij marcheren, pink een traantje weg, want ach wat worden ze toch groot, race weer terug naar school waar ze met applaus worden onthaald. Als ik thuiskom, ben ik total loss. Ik zet ze onder de douche, stop ze met natte haartjes in bed en duik zelf ook in mijn bed.

Uitgeput. Bekaf. Topsport. Dat is het.
De kleinste met de burgemeester. Das dan wel weer grappig.

zondag 10 mei 2015

Ka krijgt een kusje van de juf voor Moederdag

Moederdag rulez!
Als ik mijn oudste naar bed breng en hem lekker in zijn nek kriebel, kijkt hij mij aan. “Je bent nu echt superdepuper dicht in de buurt van je moederdagcadeautje”, grijnst hij. Ik kijk. Ik zie een houten doosje staan en weet het zeker: daar ligt het in. Dat zeg ik niet. Ik doe alsof ik zoek. Lachend duwt mijn oudste mij weg. “Morgen mam, morgen is het zover.”

Mijn kleinste slaat zijn armpjes om mijn nek, knuffelt me en zegt slaperig: “Morgen is het Moederdag. Dat wordt leuk.” Ik vraag hem wat ik van hem krijg. Hij denkt na. Hij wil het zeggen, maar net op tijd bedenkt hij zich. Weer mislukt, grijns ik.

Zondagochtend 10 mei: Mijn Dag is aangebroken. Twee springende jongetjes naast mijn bed met allebei een cadeautje in hun handen. Ik pak het als eerste het cadeautje van mijn oudste uit. Het is ingepakt in een prachtig papiertje met hartjes. “Zelf gemaakt”, klopt hij zichzelf trots op zijn borst, “maar de laatste hartjes zijn een beetje slordig ingekleurd omdat ik op moest schieten. Ik was al laatste klaar.”
Voorzichtig peuter ik de plakbandjes eraf. “Er zit iets in met een foto”, bouwt mijn oudste de spanning vast op. Als ik maar lang genoeg treuzel dan gaat hij mij ongetwijfeld zeggen wat erin zit. Zover komt het niet. Een klein prachtig schilderijtje met een foto van mijn bonkie. Prachtig. Omslachtig legt hij uit ‘dat het nog een hele klus was’.

Een prachtig mozaïek schilderijtje.
Het volgende cadeautje is van mijn mannen samen. “Ja”, begint mijn oudste, “papa kon je oude zwemkaart niet vinden en toen moest ie voor de zwemkaart betalen. We wilden er eerst 25 keer zwemmen op laten zetten, maar dat was duur. Duur! Meer dan honderd euro. Dus nu staat er twaalf keer zwemmen op.” Inwendig sterf ik van het lachen, maar houd mijn hoofd in de plooi. De Man werpt een vernietigende blik op mijn oudste. Ik maak het pakje open. Een zwemkaart! Kan ik trainen voor de City Swim. Ik ben er blij mee.


Zo lief! 
Kusje van de juf!
Het laatste cadeautje is van mijn kleinste. Een rood pakje. Aandoenlijk gedichtje bovenop geplakt. “Ik mocht niet zelf een papiertje maken, dat heeft de juf gedaan”, pruillipt hij. Ik zeg dat dat niet erg is. Ik maak het open. Een mee-neem-kusje! Wat een verrassing. Ik vind het kaartje geweldig. Mijn kleinste heeft mij met twee harten in mijn hand getekend. “En een zonnebloem”, vult hij aan. Op de achterkant een kusje van lippenstift. Heb ik mijn kleinste altijd bij me. “Het is niet mijn kusje”, zegt mijn kleinste opeens. Ik kijk m aan. “Nee, ik wilde dat niet. Ik wilde geen lippenstift op mijn lippen. Vind ik stom.” Ik vraag van wie het kusje dan is. “Van de juf!”, zegt hij trots. Oh, maar dat is ook prima. Voor de tweede keer kom ik niet meer bij. In stilte.In mijn portemonnee zitten in lengte van dagen voortaan twee mee-neem-kusjes; eentje van mijn oudste en eentje van de juf. Zo grappig is Moederdag.





dinsdag 5 mei 2015

Ka doet mee aan de Amsterdam City Swim


Ik doe 6 september mee aan de Amsterdam City Swim.
En zwem zoveel mogelijk geld bij elkaar voor Stichting ALS. 

Daar zit ie. Zijn vader. Ooit een held die hem hoog in de lucht gooide en altijd weer opving. De man die hem de namen van de bomen in het bos leerde. Die hem wees op bijzondere planten. Die samen met hem een vogelhuisje in elkaar knutselde.
Voorzichtig dept de jongen wat kwijl uit de mondhoek van zijn vader. Zijn vader, zijn held. Gekluisterd aan een rolstoel. Die hij spoedig zou verruilen voor een doodskist. Praten gaat moeizaam. De jongen voert het woord. “Mijn vader heeft de dodelijke ziekte ALS”, legt hij de televisiepresentator uit, “en binnenkort, als hij dood is, ziet u hem op grote posters in abri’s hangen.” Het ontroert me tot op het bot. De kracht die van vader en zoon uitgaat, de praktische handelingen van de jongen, de gelatenheid van de vader. Onverteerbaar.



Foto: Stichting ALS
Na deze uitzending hoor ik dat een overbuurvrouw is overleden aan ALS. Ik ken haar en haar man slechts van groeten. Had geen idee dat ze ziek was. Haar man is ontroostbaar. Ik zie hem met de dag magerder worden. In een wolk van verdriet laat hij zijn hond uit. De dagelijkse bezigheden houden hem overeind. Op het laatst kon zijn vrouw slechts een vinger gebruiken. Ze gebruikte die om te sms-en. Zo had ze nog wat contact. Want praten ging al lang niet meer. Als de rouwstoet langs mijn huis gaat, weet ik het zeker: nu is het genoeg. Ik ga me hard maken voor deze dodelijke spierziekte.

Op de dag dat de inschrijving van de Amsterdam City Swim start, zit ik aan mijn computer gekluisterd. Samen met drie vrienden schrijf ik me in. Zondag 6 september spring ik met mijn gezonde lijf en prima functionerende spieren de Amsterdamse grachten in. Twee kilometer zal ik zwemmen, met 2000 anderen die het niet kunnen aanzien dat er zo weinig bekend is over ALS en graag geld inzamelen voor onderzoek.

“Is dat niet koud?” en “Je lijkt wel gek om in die smerige grachten te springen!” krijg ik soms te horen als ik vertel dat ik meedoe aan de City Swim. Ik denk inderdaad niet dat het water tropische temperaturen heeft op 6 september, maar wat is nou twee kilometer afzien als je het afzet tegen iemand die de diagnose ALS heeft gekregen? Ook vrees ik dat het de grachten die dag niet azuur blauw zullen zijn. Het weerhoudt mij niet. Ik spring erin.

In spring erin voor de vader, de held van weleer en mijn overbuurvrouw. Voor hen is het te laat. Maar voor de jongen en mijn overbuurman die achterbleven en al die andere Nederlanders die op wat voor een manier dan ook te maken hebben met ALS is het niet te laat.

Ik wil dat verschil maken.


Help je me mee? Een bijdrage klein of groot, kan worden gedoneerd via http://www.amsterdamcityswim.nl/deelnemer/karinvanleeuwen/