dinsdag 26 maart 2019

Dronken Alsakanen, oke, maar een bezopen varken?!



Laveloos ligt Babe op de mat.
“Is dat varken van u dat daar op straat loopt?”

Ik zit aan tafel en eet druiven. Eef loopt de kamer binnen met vraagtekens boven haar hoofd, Storm rent naar de deur en vertelt de man die ervoor staat dat het beest van Ayden, zijn vriendje, is. “Alright, kiddo, tell the guy his pig is messing around.” Storm zoekt een touw en kijkt waar het varken is. Twee buurmeisjes hebben zich inmiddels over haar ontfermd. 


Tergend langzaam stiefelt Babe mee...
We lokken Babe met chips naar de tuin van Eef zodat ze daar in een hok kan worden gestopt tot Ayden en zijn ouders thuis zijn. Babe vindt het genoeg, verzet zich en weigert nog een stap te zetten. Sleuren, schelden en sjouwen heeft geen zin. Pas als er een nieuw chipje voor haar neus hangt, is ze bereid door te stiefelen. Met mijn wenkbrauwen in mijn haargrens sla ik het Alaskaanse tafereel gade en kom tot de conclusie dat ik het opmerkelijk vind. Ik loop er op af en vraag voor de vorm of ik iets kan doen. Eef schudt haar hoofd en wijst naar het hok waarin ze Babe wil hebben. De laatste meters gaan tergend langzaam. Storm houdt het deurtje open en Eef duwt tegen het achterend. Opgelucht halen we adem: missie geslaagd. Onwennig en knorrig drentelt Babe in het hok. Voor de verse wortel die Storm in het hok gooit, haalt ze haar neus op. Ik kan haar geen ongelijk geven.

Eef belt de buren en zegt hen dat hun huisdier safe is. Als we naar de auto lopen om op pad te gaan, zien we hoe Babe het hek optilt over haar spekrug schuift en zichzelf bevrijdt. “Ze is ontsnapt maar moeten weg,” appt mijn vriendin naar de buurman. 


Babe, het schijtchagrijnige varken.

Niet veel later laat hij weten dat ze Babe hebben gevonden. Ze is veilig in hun huiskamer waarin ze onderdeel van het gezin uitmaakt. “Alles is okay, ze slaapt haar roes uit. Ze heeft een blikje bier dat nog niet leeg was omgegooid en opgedronken. Bastard!” appt de buurman. De foto die hij stuurt spreekt boekdelen: Babe is gecrasht en ligt laveloos voor een kastje op de vloer.

Straks is Babe een varken met een kater. Ik denk niet dat het veel gekker gaat worden hier in Alaska.

Vrouw met een missie struint Alaska af op zoek naar putty

Mijn eerste blog schrijven vanuit mijn motelkamer. Magisch!

“Okay, miss Ka, hier is het.” 

Ik krijg de deur niet open. Nogmaals frot ik de sleutel in het slot. “Het is het huisje ernaast,” helpt Eef me uit de brand. De paar dagen dat ik in Alaska ben, slaap ik in het Pioneer Motel. Net zoals in de film: rijtje huisjes, Dodge Ram voor bijna elke deur en volledige anonimiteit. Wie er aan de overkant achter de gesloten gordijnen verblijft weet ik niet en daarover kan ik uren fantaseren.
Tweede huis van links woon ik!
“Okay, miss Ka, hier is het.” Eef zoent me gedag, Peet zwaait en dan ben ik alleen. Onder de douche overdenk ik mijn dag. De stress van die ochtend toen bleek dat het reisbureau in Nederland een fout had gemaakt en ik niet in het vliegtuig van Seatte naar Anchorage zat. “Miss VanLeeuwen? No, I can’t find her,” zuchtte de dame van Alaska Airlines aan de andere kant van de lijn. Eef zette door en uiteindelijk werd ik gevonden in het systeem, maar nog steeds niet in het vliegtuig. We regelden het, zoals we altijd alles oplosten.

In het vliegtuig zit ik ingeklemd tussen twee vrouwen. De een leest psalmen, de ander eet een zak rauwe walnoten, vijf koekjes en zes chocolaatjes. Doet ze in minder dan tien minuten. Ik klem mijn ellebogen tegen mijn lijf om me nog smaller te maken en contact met mijn buurvrouwen te vermijden. Als de Jehovagetuige een kaasplankje met druiven bestelt, sluit ik mijn ogen. Ik gruwel van kaas, mijn leven lang al. Tergend langzaam stopt ze een stukje brie in haar mond. Mijn andere buurvrouw buigt voorover en tovert een proteïne reep tevoorschijn. Drie uur is het vliegen, ik overleef het wel.

Als Storm de aankomsthal inrent en hij me wat onwennig omhelst, word ik even overvallen door een golf van weemoed en denk aan die twee thuis. “Mam, heb je de putty al gevonden? En coole T-shirts?” appt Tommie. Ik was het even vergeten, maar hell yeah: I’m a woman with a mission.

Ik droog me af, doe mijn lenzen uit, stap in bed en val in een diepe slaap. Mijn eerste in Alaska. De volgende dag word ik vroeg wakker en ik blijf in bed met koffie tot de zon op is. Dan open ik mijn voordeur en loop naar buiten. Kijk om me heen. Op de hoek zit een fietswinkel. Fietsen. Nederland en mijn vroege fietstochtjes zijn opeens zo ver weg.

Maar ook weer heel dichtbij als ik de tronies van die van mij zie via facetime en ze me vertellen dat het kapot goed toeven is in de mencave in ’t Gooi.....


vrijdag 22 maart 2019

Bingo spelende muizen in Seattle

Ja hoor, Pike Market here we are!




‘Mama? Mama???? Mamaaaa!’

Als ik mijn koffer openmaak, stokt mijn adem. Mijn kleding ruikt naar thuis. Naar mijn mannen. Thuis. Het lijkt zo ver weg en bijna  niet te bestaan. Daaraan veranderen de vertederende appjes van mijn oudste en kleinste nauwelijks iets. Acht uur tijdsverschil is veel.  Ik glimlach als ik de berichtje van Tommie lees. ‘Mama? Mama??? Mamaaaa!’ text hij wanhopig terwijl ik slaap. Opeens ben ik niet meer 24/7 beschikbaar en dat is voor hem nieuw terwijl ik voor nu er best aan kan wennen.

In plaats zorgen voor mijn liefsten  breng ik mijn tijd door met Eef. Ontdekken we de stad, voeren mooie gesprekken, ontroeren elkaar en realiseren dat ons samenzijn in Seattle een groot cadeau is. ‘Kijk ons zitten schattie?’ straal ik terwijl ik een potje worstel met mijn jetlag. Om 3.34 uur opende ik mijn ogen en was klaarwakker. Vier koffie zorgden voor wat dynamiek in mijn lijf en ik schreef, las, at t laatste stuk van mijn Tony Chocoloney op, deed fitnessoefeningen en keek op de klok. 5.01 uur. In bed, met twee kussens in mijn rug mijmerde ik. Prees mezelf gelukkig.

‘Nou kijk, je draait dat ding om en dan moet je wachten,’ demonstreert Eef de pan die onderdeel uitmaakt van het ontbijtbuffet. Na twee minuten heb ik n dampende wafel op mijn bord. Ik versier m met slagroom, caramelsaus en aardbeienjam. Voor de vorm leg ik er vers fruit en een gekookt ei naast, zodat ik toch maar weer mooi twee items van de schijf van vijf kan vinken.. Gelukkigzalig schuif ik de zoete koek naar binnen.

A woman with a missie...

Westlake. ‘Hier gaan we eruit,’ waarschuwt Eef. Als we Pikestreet in lopen knijp ik mezelf in mijn arm. Gister sleepte ik mijn koffer nog naar Schiphol en nu banjer ik, alsof ik nooit anders heb gedaan, in Seattle. Ik kijk mijn ogen uit. Zwervers die mijn gevoelige snaar raken, gebouwen die  mijn hoogtevrees aanwakkeren  en Amerikanen die zo groot in lengte en breedte zijn dat ik me voorneem morgenochtend alleen maar een appel als ontbijt te pakken.

Lunchen bij Etta’s in de vrieskou...
Op t zonovergoten terras van Etta’s lunchen we. Ik grinnik. ‘Ha Ka, wordt t in Nederland mooi weer ga jij de vrieskou opzoeken,’ hoonde n vriend die ik na die opmerking tot vage kennis reduceerde. Ik denk aan hem terwijl ik mijn zonnebril in mijn tas zoek. Ik kijk naar de strakblauwe lucht en knik naar het universum. We vreten de stad, halen in een supermarkt eten voor het diner en laten Seattle downtown achter ons.

‘Mama? Mama??? Mamaaaa?’

De foto van bingo spelende muizen die ik app, levert me een hartje op.

Muizenbingo...
Diner op Eef dr kamer...
















donderdag 21 maart 2019

Ik doe het verrassend goed als solo reiziger...


Basha is my name, beautiful Karrrrren."
Als ik zijn warme gezichtje wakker kus, opent hij zijn ogen. "O mama, vandaag ga je."

Zes weken terug boekte ik de reis en vandaag is het zover. Ik rits mijn tas dicht, hug mijn mannen en als ik in de trein naar Schiphol zit start mijn avontuur. Hoe kom ik ooit in Amerika, vraag ik me af terwijl het Hollandse landschap voorbij dendert. Ik bijt op mijn lip. Vanavond ontmoet ik mijn liefste Eef. In Seattle. Eerst geloven, dan zien.

Als ik op Schiphol aankom, mijn tas afgeef en bij de zelfscan mijn paspoort laat controleren, krijg ik het even benauwd. Het apparaat knippert driftig en blijft zeggen dat ik vooral moet blijven staan en  moet wachten op een medewerker. Ik heb weinig keuze: het hekje voor en achter me zijn hermetisch afgesloten. De rij wachtende mensen hoor ik diep zuchten. Een forse kerel van de Marechaussee bevrijdt me uit de paspoortsluis en tuit zijn lippen als hij naar de foto op mijn paspoort kijkt. "U bent wat kilo's kwijt zie ik aan uw gezicht. Snapt dat apparaat niet." Hij laat me gaan en opgelucht loop ik door en stort me op het freetax shoppen.

Alsof ik het de gewoonste zaak van de wereld is, land ik op Heathrow. "Mama, waar ben je? Ik zit op school en app stiekem vanaf de wc," meldt Bob. Ik glimlach. "Kind, het gaat verrassend goed. Ik ben in Londen," laat ik mijn oudste weten. Ik krijg een duim van hem terug. Ik slenter langs de winkels, koop broodjes, nootjes en trakteer mezelf op de paaseditie van Tony Chocolonely. Op weg naar mijn gate loop ik langs de toiletten. Een kleurrijke Bob Marley zwabbert luid zingend de vloer schoon. Hij heeft in de gaten dat ik naar hem kijk en lacht zijn tanden bloot. "Beautiful women, how are you?" Ik loop naar hem toe, schud hem de hand en vraag of hij met mij op de foto wil. Samen maken we stralend een selfie. "Basha thats my name, beautiful Karrrren." De 'r' rolt lang en vrolijk uit zijn mond. "Stay safe wherever you go." Ongetwijfeld zegt hij het tegen iedere vrouw, maar voor nu voelt het speciaal en geeft me moed. Ik geef hem een high five en loop door.

ready for takeoff.... 


Elf uur zit ik in het vliegtuig naast een keurig Brits echtpaar. Ik huil bij A Star is Born, ik eet mijn reep op, kijk naar Can you forgive me, stort me op het eigenlijk niet te hachelen maar nu wel vliegtuigvoedsel, krijgt kramp, lees de Linda uit, staar uit het raam, val in slaap en voor ik het weet raken de wieltjes van het vliegtuig de grond in Seattle.

Ik sluit Eef dolgelukkig in mijn armen en krijg een berichtje.  "Mama? Waar ben je?"

"In Seattle, Kontje, ik ben gewoon in Seattle," antwoord ik Tommie. En opeens dringt 't door.

I made it.
omg! Seattle! I made it.






dinsdag 19 maart 2019

Nog maar een dag….



de adrenaline giert door mijn aderen...
“Heb jij je fiscaal overzicht van 2017 voor me?”

Sinds ik wakker ben exploderen de gedachten een voor een in mijn hoofd. Ik moet die hersenbommetjes noteren voor ik het vergeet. Eerst maar eens even koffie. De Man gaapt en herhaalt zijn vraag. Iets met een fiscaal overzicht. Geen idee waar hij het over heeft. Ben niet van de cijfers maar van de letters. Ik verbaas mezelf als ik binnen een minuut het gevraagde document uit mijn bankzakenapp tevoorschijn tover. Check.
Vervolgens hark ik de troep in huis aan. Ik doe dat in bikini omdat ik voornemens ben te zwemmen. Gaandeweg de ochtend vermoed ik dat mijn beweegplan voor die dag iets te ambitieus is en in plaats van het chloorwater induiken neem ik een douche. Om klokslag elf uur zit ik aan Carmens desk. Gisteravond besloot ik dat online inchecken niet iets voor mij is en dat mensen die een toerismeopleiding hebben gedaan daarin ongetwijfeld uitblinken. Klopt. Binnen no-time regelt Carmen de vliegtuigstoelen. “Veel plezier he?” slaat ze knipogend op mijn schouder. 
“Alaska? Wat moet je daar nou? Wat zie je van de middelste regel?” vraagt Hein. Ik knipper met mijn ogen en focus. Een a, f, c of is dat een o? “Je moet je lenzen beter schoonmaken, Van Leeuwen,” zucht de lenzenman. Ik rol met mijn ogen. “En nee, niet rollen met je ogen maar vaker knipperen. Is ook goed voor je kijkglaasjes.” 
Ik race naar huis. Terwijl ik mijn koffer volstamp met koek, snoep en kleding zit Tommie treurig op de bank. “Ik wil eigenlijk niet dat je gaat, mama.” 
De woorden van mijn jongste bouncen in mijn hoofd en verstoten alle gedachten. Ik ga naast hem zitten en sla mijn arm om zijn schoudertjes. Als ik mijn koffer wil dichtritsten legt hij zijn hand op de mijne. “Wacht even. Deze moet ook mee.” 
Als ik mijn neus stop in de blauwe knuffelmuis, ruik ik Tommie. De tranen knipper ik hard weg. De lenzenman kan trots op me zijn. 


dinsdag 12 maart 2019


Nog acht dagen….

“Kaatje, wat voor een schoenen neem je eigenlijk mee? Er ligt hier nog wel sneeuw,” vraagt Eef me. Ik denk terug aan de afgelopen maanden en hoe blij ik was dat ik mensen die er verstand van hebben hoorde roepen dat ons klimaat verandert. Zachte winters. Geen ijs. Geen sneeuw. Geen ijzel. In gedachten loop ik mijn schoenenverzameling langs. Mijn sneakers zijn niet waterdicht. Mijn snowbootsen wel maar die knellen mijn fietskuiten na een uur of vijf af. Natuurlijk. Mijn Palladiums, schoenen die voornamelijk worden gekocht door avonturiers en reizigers. Ooit las ik dat een Franse vulkanoloog en geoloog de schoenen droeg tijdens een vulkaanexpeditie. Dan kan ik ze dus met gemak tijdens mijn Alaskaexpeditie dragen. Ik vink het probleem ‘schoenen’ af en staar uit het raam.

Ik overdenk mijn reis. Eerst vlieg ik naar Seattle waar ik twee dagen met Eef blijf. Zes jaar geleden was ik er ook, maar waren we op doorreis en hadden nauwelijks tijd. Gaan we deze keer dunnetjes overdoen. “Oh ja, Ka, ik geef je het adres van ons hotel in Seattle door. Kun je daar heen gaan als ik onverhoopt niet op het vliegveld sta om je op te halen. Neem je gewoon even zo’n shuttlebusje.” Shuttlebusje? Hoezo ben je niet op het vliegveld? Ik ga altijd uit van het beste reisscenario. Als we een zomervakantie boeken zie ik de stapel boeken die ik meeneem per dag slinken, zijn mijn kinderen de hele dag de hort op, is het drie weken mooi weer, hebben we geen last van de buren en kan ik altijd naar een schone wc. De werkelijkheid is dat ik niet aan lezen toekom, omdat mijn jongens geen leuke vriendjes kunnen vinden en elkaar lopen te narren, dat het vooral regent, dat buren steeds maar onzinnige weerpraatjes willen maken en dat de schoonmaker op zijn dooie gemak het sanitair zuivert op het moment dat ik heel nodig naar de wc moet. Positief als ik ben weet ik gewoon dat Eef op het vliegveld staat als ik gesloopt maar gelukkig land. De versie dat ik doodmoe en met afhangende schoudertjes wanhopig naar mijn vriendin zoek duw ik weg. Zo zal het niet gaan.

“Ha mam, had je al gehoord dat er een Boeing 737 in Ethiopië is neergestort,” vraagt Tommie als uit school komt en zijn rugzak naar mijn hoofd slingert. Ik vang de tas op en Tom slaat zijn armen om me heen. “Jouw vliegtuig stort toch niet neer?” bibbert hij in mijn oor. Ik duw m zachtjes van me af en kijk in zijn donkerbruine ogen. Ik schud mijn hoofd. En beloof hem dat mij niet zal overkomen. “En je weet,” steek ik mijn vinger in de lucht, “belofte maakt schuld.”


maandag 11 maart 2019

Hoorde ik dat goed? Zei je nou serieus dat je naar Alaska gaat?




Nog negen dagen....

Nee sorry. Dan kan ik niet. Dan zit ik in Alaska. Elke keer als ik dat zeg, zie ik de verrassing op het gezicht van degene die een afspraak met me wil maken. Wenkbrauwen die richting haargrens gaan, monden die openvallen. Ja. Ik ga naar Alaska. Voor de tweede keer van mijn leven. Maar nu is alles anders. Want ik reis alleen. Me. Myself. And I.
Zes jaar geleden maakte ik me ook op voor een lange en spannende reis naar een van mijn liefste vriendinnen. Eef besloot zo’n dertien jaar terug het roer om te gooien, pakte haar bontmuts en koffers en vertrok met Peet naar Alaska. “Schat, waarom niet een bed & breakfast in Portugal?” trok ik haar wanhopig aan haar arm. Leek me een stuk aantrekkelijker. Warmer en minder ver. Ze was onverbiddelijk. En ging. Taferelen van beren die mijn bestie uit elkaar trokken en boven een grote pan opwarmden trokken aan mijn geestesoog voorbij. “Ka, ik zorg voor haar. Echt,” verzekerde Peet mij. Jaja. Alsof hij bestand zou zijn tegen die immense klauwen.
Borrelnootjes
P
eet kwam zijn belofte na. Zorgde voor mijn vriendin. Ze bouwden een leven op in het hoge noorden. Kregen een zoon, Storm en geen haar op hun hoofd die overwoog terug te komen naar het knusse Nederland. Zelfs de Hema en Appie Heijn konden daarin geen verandering brengen. De Hollandse gezelligheid, borrelnootjes, kruidnoten flirtten met mijn vrienden alsof het een lieve lust was, maar nee. Ze bleven. Onze levens werden gescheiden door een oceaan. En gelukkig moet er zo nu en dan een visum worden aangevraagd en komen ze terug naar hun geboorteland. Heerlijk vind ik dat. Kan ik eindeloos thee drinken en schaamteloos taart naar binnenschuiven met mijn bestie. Het afscheid nemen blijft altijd nog even een toestand, hoewel we er steeds beter in worden. Aldoende leert men.
Groot hart
Voor wat hoort wat. En ik vond het de hoogste tijd om weer eens naar Alaska te gaan. Lijkt simpel. Is het niet. Want als ik mijn gezin verlaat, ontstaat er een gat dat moet worden opgevuld. Gelukkig is De Man een kerel van weinig woorden en in het bezit van een groot hart. “Alaska?” Hij keek me aan over zijn leesbril en haalde zijn schouders op. Geen punt. Gewoon lekker gaan. Tien dagen, oke? Hij knikte. Deze drempel was een makkie geweest. De volgende horde waarover ik heen moest was minder eenvoudig.
“Wat? Neeee. Mama. Niet naar Alaska. Hoe moet het dan met ons? Ik wil ook mee. Ik wil met Storm spelen en beren aaien.” Tommie had geen idee en vond het mijne stom. Bob keek nauwelijks op van zijn tablet. En bromde, met die beginnende baard in zijn keel, iets van ‘kapot cool’.  Ik knikte. Cool was het er zeker. Door het groene licht dat ik thuis kreeg, begon het te kriebelen in mijn buik. Ik zou gaan. In mijn eentje.
Appel en een ei
Ik speurde online naar vliegtickets maar raakte al snel het spoor bijster. Al mijn vrienden en kennissen gingen altijd voor een prikkie op pad. “Lekker man, naar Barca, voor nog geen honderd euro.” Als ik ging zoeken naar Barca voor een appel en een ei, was alles vol. Of hartstikke duur. Ik staakte mijn zoektocht en nam een reisbureau in de arm. Opgelucht was ik toen Carmen zei dat het ingewikkeld was. “Komt door je vlucht en verblijf in Seattle. Maar we gaan eruit komen. Wordt wel wat duurder.”
We kwamen eruit. Ik moest even slikken toen ik het bedrag onder de streep zag. “Met een tussenlanding is het voordeliger. Vlieg je naar Heathrow en pak je daar het vliegtuig naar Seattle.” Een overstap. Ik visualiseerde een willekeurig, gemiddeld groot vliegveld. Zag mensen zenuwachtig naar borden kijken, hoorde de douanier vragen of ik zelf mijn koffer in had gepakt en hoewel ik dat had gedaan, brak het zweet me uit. Ik zag huilende mensen die afscheid van geliefden namen, ik zag paniekerige reizigers die hun gate niet konden vinden.
I did it
“Denk je dat ik dat kan? Denk jij dat ik in het vliegtuig naar Seattle terecht kom?” Carmen beet op de achterkant van haar pen en keek me vorsend aan. “Ja,” schudde ze haar blonde krullen, “dat kun jij.” Nou ja. Als zij het zegt… Mijn dapperheid scheelde driehonderd euro op het totaalbedrag. Ik nam een optie op mijn reis zodat ik Eef het kon laten checken. De volgende dag pinde ik, met mijn handen voor mijn ogen, het bedrag. Stralend keek ik Carmen aan. I did it. I fokking dit it.
Over negen dagen ga ik. En omdat een aantal mensen in mijn omgeving hun hart vasthoudt, heb ik beloofd te bloggen. Van de aanloop, tot het opstijgen tot het landen. Ik deel het. Want het is te leuk om voor mezelf te houden.

woensdag 16 maart 2016

Ka d’r voetbalboek is vol

Wat had ik deze graag verzameld...

Mijn hart zit in mijn keel. Mijn wangen zijn vuurrood. Als een hongerige wolf sta ik aan het tafeltje. Mijn oudste heb ik opdracht gegeven de pakjes open te maken en mij de plaatjes aan te geven. Mijn jongste heeft maar een taak: mij niet lastig vallen. Ik ben een vrouw met een missie. Ik moet nog maar één plaatje in het voetbalboek. Nummer 123. Dan ben ik compleet. Dan heb ik de afgelopen weken 1247 plaatjes in een voetbalboek geplakt. Zo’n 1200 kinderen  die ik heb ik ingeplakt, wonen in Hilversum, maar heb ik nog nooit gezien. Daar gaat het ook niet om. Het gaat erom dat dat boek vol is.
Niet alleen mijn eigen boek heb ik vol, ook het boek van Coach is aardig op weg. Met voetbalmoeder Valerie heb ik een hotline. Steeds weer appen we lijstjes met nummers die we nodig hebben. Een andere voetbalmoeder heeft een groepschat aangemaakt met een voor mij volstrekt onbekende moeder. Maakt niet uit! Voetbalplaatjes verbroederen. We kletsen en zuchten tegen elkaar alsof we elkaar al jaren kennen. Ik kom nergens meer aan toe. Ben al die tijd aan het sorteren. Zorgen dat mijn stapels up to date blijven.

Met mijn heup duw ik een jongetje opzij. Ik moet en ik zal 123 vinden. Driftig streep ik de plaatjes van Coach van mijn lijstje. “Verveel jij je ofzo”, snoeft hij op de app. Nee. Het is de autist in mij. Dolgelukkig word ik van een boek dat vol is. Een stapel voetbalplaatjes dat op volgorde ligt.

Mijn oudste trekt aan mijn mouw. We moeten gaan, we moeten naar de bootcamp. Ik ruk me los van de tafel. Stop nog snel een stapel plaatjes die ik nog moet uitzoeken in mijn jaszak. Mijn oudste schaamt zich kapot. Ik ken die blik. We haasten ons naar de bootcamp. Daar zit Valerie. Met haar dubbele plaatjes in de aanslag. Als ik mijn tas open doe, krijg ik een hartverzakking. Ik. Heb. Mijn. Boeken. Laten. Liggen. Op. De. Ruilbeurs. Met een bonkend hart fiets ik terug. Duw drie kinderen omver, neem een snoekduik naar het tafeltje waar ik eerder stond. Ze liggen er nog. Juichend verlaat ik de ruilbeurs.

Terwijl onze mannen burpees, push-ups en andere vermoeiende oefeningen doen, plakken wij als een geoliede machine het boek van Coach bijna vol. Thuisgekomen maak ik een verse lijst met de laatste nummers die ik nog nodig heb. Ik gooi het in de app. Het zijn er niet veel meer en het komt goed.

’s Avonds zit ik uitgeteld op de bank. Voor mij loert het zwarte gat. Maar er is ook iets van opluchting. Het ziet er naar uit dat ik mijn leven weer terug krijg. Dat ik niet meer in voetbalplaatjesnummers denk. Dat ik geen stapeltjes meer hoef te maken.

“Maar dan hebben we gelukkig nog de moestuintjes”, grijnst mijn oudste. Ik grijns terug. Daar heb ik gelukkig helemaal niets mee. Niet met het verzamelen, niet met het planten, spenen, verpotten en weet ik veel wat er allemaal bij zo’n moestuintje komt kijken.

Maar ja. Ik zei ook aan het begin van de voetbalplaatjesactie dat ik alleen de club van mijn oudste zou verzamelen……


dinsdag 26 januari 2016

Ka d’r kleinste haalt zijn C ternauwernood


 
Nee. Het ging niet van zelf dat C-diploma binnen roeien.



En? Heeft ie zijn diploma? Jazeker. Maar dat ging niet vanzelf. Oh? Maar als ze toch mogen afzwemmen dan hebben ze dat papiertje toch eigenlijk al op zak? Ja, eigenlijk wel ja. Maar er kan nog van alles misgaan.

Zo herinner ik mij nog een afzwemmertje voor B in de groep van mijn oudste. Het meisje was met geen tien paarden het bad in te jagen. Haar ouders, de badjuffen, de strengste badmeester werd zelfs van stal getrokken; geen mens kreeg het voor elkaar het kind middels een kikkersprong het water in te krijgen. Ze zette haar hakken in het zand en vertikte het. Het beeld van het gezin dat, met grote vrolijke cadeaus, het zwembad met gebogen hoofd verlieten terwijl het meisje het op een brullen had gezet, staat op mijn netvlies gebrand. Daar ging hun feestelijke dag. Gebeurt niet vaak, weet ik ook wel, maar het kan dus wel.

Goed. De ochtend voor het Grote Afzwemmen. Mijn kleinste heeft een beetje buikpijn, piept hij. Mijn ervaren oudste, expert op het gebied van afzwemmen, zegt dat dat over gaat. Dat ik ook een beetje buikpijn heb, houd ik voor mezelf. Ook ik zit niet op de wijsneuzerij van mijn oudste te wachten.

Daar gaan we. Tas vol kleding en handdoeken. Cadeaus. Mijn kleinste zit wit op de achterbank terwijl mijn oudste hem moed inpraat. “Kijk, je moet gewoon je handen boven je hoofd doen, heel diep duiken en zwemmen. Gewoon zwemmen.” Gewoon zwemmen. Mijn kleinste kijkt uit het raam.

Op het randje kijkt hij ietwat benauwd. Eerst moet hij met zijn kleren aan onder een mat zwemmen. Dat is een van zijn twee bergen. Hij wordt gematst door de zwemjuf; ze tilt de mat een beetje op. Omdat zijn jas vol water loopt, heeft hij namelijk een behoorlijke bochel op zijn rug. Vervolgens komt berg twee: negen meter onder water en door het gat naar boven. Mijn kleinste kijkt me aan, ik knipoog en knijp mijn handen fijn. Daar gaat ie. Zijn haar is al boven water. Wat? Het meisje naast hem zwemt niet door haar eigen gat maar door die van mijn kleinste. Hij kan er niet doorheen. En komt boven. Mijn hart gaat als een dolle tekeer. Nee he? Ja. Hij wordt uit het water gevist. Met een bevend lijf, zijn handen voor zijn mond gevouwen, zie ik m zijn hoofd schudden naar de juf. 

Verslagen loopt hij weer naar de kant. Hij moet nog een keer. Ik kijk om. Mijn moeder durft niet te kijken. Ik hurk voor zijn baan alsof ik hem dan door het rottige gat kan trekken. Hij kijkt me deze keer niet aan als hij erin duikt. Zijn armen langs zijn oren, hij zet af en plonst erin. Het komt uit zijn tenen. Hij ploegt door het water, op naar het gat. Zijn haar is inmiddels boven water. Na een zenuwslopende minuut plopt hij aan de andere kant van het gat omhoog. Het publiek applaudisseert terwijl mijn hartslag normaliseert.


Feest! Een rondje om het zwembad!
De rest van het afzwemmen is een eitje voor mijn kleinste. Dapper harkt hij zowel op zijn rug als zijn buik door het water, drijft als een dode zeester, watertrappelt alsof hij nooit anders heeft gedaan. De opluchting is groot als blijkt dat iedereen, ja echt iedereen, zijn C-diploma heeft gehaald. Ik pink wat tranen weg, knuffel mijn natte jongste fijn en sluit de periode zwemles af. 

Voorgoed.  

vrijdag 1 januari 2016

Ka belandt in 2016


De eerste selfie van 2016 is een feit.

Als ik in alle vroegte wakker word op de eerste dag van het nieuwe jaar, zie ik een zwik appies op mijn telefoon. “Hee Ka, gelukkig nieuw jaar of slaap je al?”  Ja. Hallo het is 1.08 uur. Wat denk je?

Ik heb me door de avond heen gesleurd. Zoals verwacht ging het tot een uur of half tien prima. Mijn oudste en jongste hadden zich ’s middags aangesloten bij een buurtgroepje jongens die alvast wat vuurwerk knalden. Loslaten, ik moet dat loslaten, herhaalde ik als een mantra. Beelden van mijn grootste bonkie met een ontplofte vinger door het vuurwerk, duwde ik weg. Loslaten, loslaten. Toen ze ongeschonden binnenkwamen, installeerde mijn oudste de app ‘Aftellen tot 2016’ op zijn tablet, zodat ik om de minuut hoorde hoe lang ik nog moest. En mijn kleinste om de seconde vroeg hoe lang het nog duurde. Ik voorzag een lange avond.

Natuurlijk keken we naar de Top2000 A gogo en keken mijn mannen met open mond naar kok Pierre Wind die op elke vraag/opmerking van Matthijs van Nieuwkerk in plat Haags ‘kickuh!’ riep. Kickuh? Deze man was nog vetter dan Jochem Meijer, besloten mijn mannen.

Ik pakte een oliebolletje en schoof deze naar binnen, om ogenblikkelijk het medicijnenblik binnenste buiten te keren. Op zoek naar een Rennie.  Mijn kleinste was inmiddels op de grond gaan zitten met een kussentje, viel langzaam om, pakte Muis stevig beet en viel in slaap. One down. Mijn oudste hield het vol, dat wakker blijven maar werd behoorlijk hyper terwijl ik langzaamaan in mijn slaapstand zakte en niet meer zo aanwezig was.

De Man zat in de stoel. Punt brie en toastjes binnen handbereik, evenals de fles Apfelkorn die op de kop af een jaar lang in onze koelkast had gelegen omdat een vriend zei op 1 januari 2015 bij ons een Apfelkorn te komen drinken. Hij is nooit gearriveerd, die vriend, en De Man tikte nu dan maar vrolijk de fles leeg.

Rummikub hebben we niet gespeeld; De Man moest hard werken op zijn virtuele boerderijtje Hay Day, mijn kleinste sliep, mijn oudste genoot van Ik hou van Holland en ik sopte de keuken. Rechtop en bewegend gedijde ik het beste.


Om tien voor twaalf ontwaakte mijn kleinste en rekte zich uit. De Man verdween in de kelder en kwam met twee champagneglazen boven. We telden af met de app van mijn oudste, namen een slok champagne en speerden naar buiten. Ik had een opleving. Sloeg de buren hard op hun schouder en wenste hen het beste. De opleving duurde twintig minuten. Ik zwaaide naar mijn mannen en kroop in bed. Ik zuchtte diep toen ik op mijn rug lag. 2016. Kom maar op. Ik ben er klaar voor.

vrijdag 25 december 2015

Ka gourmet voor het eerst en het laatst



Na jaren van hazenpeper, gevulde kalfsborst, gestoofde peertjes en veel te dure en knoertharde spruitjes, vond ik dat er een frisse wind over de dinertafel tijdens kerstavond moest waaien. Voorzichtig kegelde ik de traditie om. Moest met een alternatief komen. En opeens wist ik het: wij, wij gaan gourmetten. De Man vond het prima, want: vlees. Veel vlees. Mijn ouders vonden het ook fantastisch. Vooral mijn vader vond het mooi dat hij niet meer de hazenpeper in het altijd zo pittoreske maar o-zo drukke Gooise Laren hoefde op te halen. Mijn broer en schoonzus vonden het allemaal best. Als ik het flesje wijn maar niet schrapte, waren zij gelukkig.

Geregeld. Maar nu? Gourmetten. Hoe doe je dat? Wat eet je bij dat vlees? En wat mik je op die bakplaat? Ik googlede me suf en ontdekte dat het echt simpel was. Gewoon rauwe paprika, champignons, courgettes en uien. Sausjes. Een salade. Het leek me ook smakelijk om warme aardappelkroketjes in de oven te schuiven. Dat mocht allemaal, dat gourmetten deed niet zo moeilijk.

Mijn moeder regelde twee bakplaten, die we prominent op tafel zetten. Zout op de bakplaat, knop omdraaien. Een kind kon de was doen. Mijn jongste en oudste vonden het geweldig dat geneuzel op die bakplaat. In no-time stond de kamer blauw. Nee, was helemaal niet erg, hoorde er gewoon bij. Voor de zekerheid hielden we toch maar het grote licht aan, tot grote ergernis van mijn kleinste die eten bij kaarslicht the bomb vindt.

Ik vond het maar niets, dat gourmetten. Het vlees werd taai, de paprika’s verbrandden voortdurend en ik zag het verschil tussen de kipfiletjes en de varkenshaas niet. Ik zette de bak met aardappelkroketjes bij mij in de buurt.

Mijn kleinste slijmde bij mijn schoonzus. “Zal ik voor deze twee stukjes vlees zorgen?”, vroeg hij behulpzaam. Mijn schoonzus knikte. En toen gebeurde het. Mijn kleinste gleed weg van zijn stoel en brak zijn val door zijn handen op de gourmetplaat te zetten. Als de wiedeweerga trok ik m weg, gooide hem onder mijn arm en zette de kraan aan. Mijn hartslag was hoog. Mijn kleinste jammerde. Toen hij siste: “Waarom tilde je me op, ik kan lopen hoor”, haalde ik opgelucht adem; de verwondingen vielen mee. De rest van de avond zat hij met zijn handen in een bak water. Gourmetten hoefde niet meer voor hem. Nooit meer.

Ik sluit me daarbij aan. Ik gourmet nooit meer. Niet omdat mijn kleinste twee blaren bij zijn duimen heeft, maar gewoon omdat ik het gedoe vind. Dat gemeut op zo’n plaat.


Het idee voor volgend jaar kerstavond is al geopperd: een winterbarbecue. Ik heb er zin in. Nu al.

donderdag 17 december 2015

Ka bakt weer worstenbroodjes




Het is weer zover. Het jaarlijkse kerstdiner op school. Dit jaar had ik me voorgenomen het allemaal iets beter te structureren, op tijd te beginnen enzo. Toen ik mijn oudste en jongste vroeg wat ik zou maken, riepen zij als een man: ‘worstenbroodjes. Ha. Dat kan ik.

Vier weken voor het kerstdiner maakte ik al goodiebags voor de juffen want juffen moet je koesteren. “Je denkt toch niet dat ik dat ga geven, he?”, hyperde mijn jongste die menselijk contact soms wat ingewikkeld vindt. Menselijk contact met zijn juf staat boven aan op zijn lijstje van toestanden. Vanachter zijn tafeltje heeft ie babbels voor tien, maar verder niet. Ik schudde mijn hoofd. “Nee, dat dacht ik niet nee”, knipoogde ik naar hem.

Ik sloeg voor een weeshuis knakworsten en croissantdeeg in. En vergat sesamzaadjes. Daar kwam ik achter toen ik wilde bakken. Geeft niks. Gewoon even naar de super. Zo. Alles in huis. Als een malle rolde ik het deeg uit, besmeerde het met ketchup, sneed alles in plakjes en rolde er een worst in.

Omdat ik vind dat mijn mannen lekker schoon aan het diner moeten verschijnen, zet ik mijn kleinste onder de douche en race naar beneden om verder te gaan.

“Zeg mam”, vroeg mijn oudste, “is dat wel halal?” Sorry? Nee. Dit is gewoon een Hollandse sappige knakworst gerold in scharrel croissantdeeg. Niks mis mee. “Ja, maar dan kunnen Mo en Ali het niet eten.” Nee. Mo en Ali kunnen het niet eten. Maar gelukkig hebben de moeders van Mo en Ali waarschijnlijk iets gemaakt dat wel halal is. “Het mooie is, lieve schat, dat jij alles kunt eten. Hoe cool is dat?”, dans ik door de keuken. Daar had mijn oudste nog niet aan gedacht.

Ik haal mijn kleinste onder de douche vandaan, mijn grootste duikt eronder. Alles onder controle. Ik haast me naar de keuken voor de volgende plaat worstenbroodjes. Paniekerig holt mijn kleinste de keuken in. “Mam, die broodjes van jou zijn niet Allah”, roept ie. Niet Allah, herhaal ik dom zijn vraag. “Hij bedoelt halal”, schreeuwt mijn oudste van boven die altijd alle gesprekken die in dit huis worden gevoerd, volgt. Ik schiet in de lach. Nee. Deze broodjes zijn niet Allah maar hebben wel dezelfde letters als halal.

Net op tijd stampen we alles in de auto. Hollen de school in en zetten onze worstenbroodjes op tafel. De juf schuift er een kaartje voor: ‘niet halal’. “Kijk”, wijst mijn kleinste op het bordje, “het is niet Allah.” Gierend rijd ik naar huis in mijn auto die naar knakworst stinkt. Kerstdiner 2015 op school. En we leven allemaal nog… Volgend jaar ga ik het beter plannen. Echt. 


zaterdag 6 juni 2015

Ka overleeft de Avondvierdaagse

“Dus jij loopt niet mee?”, kijkt een moeder mij onderzoekend aan. Nee. Ik loop niet mee nee. Ik ben niet van vier avonden wandelen en zingen. Sterker: ik houd niet van wandelen. Ik vind wandelen zinloos. Alleen met een hond snap ik wandelen. Verder niet.

“Maar”, zeeft de zeurmoeder verder, “jij bent toch hartstikke sportief?” Ik zucht. Rol met mijn ogen. Sportief zijn en wandelen hebben niets, maar dan ook niets met elkaar te maken. Zin om uit te leggen dat niet meedoen met de Avondvierdaagse maar de rest van het gezin wel, ook topsport is, heb ik niet. Bovendien draag ik mijn steentje bij door bij de foerage te staan en die arme wandelstakkers van een pakje limonade, een lekkere koek, en een motiverend woord te voorzien.

De Man heeft zich opgeworpen als wandelregelaar. De juf die dat elk jaar doet, is zwanger en denkt niet elke avond te kunnen wandelen. Ik weet wel zeker dat ze dat niet kan. Dat zou onverantwoord zijn. Bij twijfel niet doen, adviseer ik als anti-wandelaar.

Vier dagen lang zorg ik dat mijn mannen voedsel binnen krijgen, op tijd hun wandelschoenen aan hebben en dat er voldoende E-nummers in hun rugzak zitten. Voor de vorm prop ik er een stuk komkommer bij die steevast onaangetast en opgedroogd retour komt. ’s Avonds als ze uitgewandeld zijn, zet ik ze onder de douche terwijl ik zelf sta te tollen van de slaap.

De laatste avond, is een hysterische. Want: waar lopen ze langs? Wanneer moet ik bloemen kopen? Hoe komen ze bij dat veldje waar ze starten? Wat moeten ze eten? Is het niet gierend druk overal?

De Man is de rust zelve. Het is tropisch warm, dus hij besluit zijn korte broek aan te doen. Ik werp hem een schoolshirt toe. “Die moet je aan”, wijs ik. Hij checkt de maat. XL. Hij wurmt zich in het shirt. Het zit wat strak. Alsof hij een helm heeft ingeslikt. Wijselijk houd ik mijn mond en zeg ‘dat het shirt nog wel rekt tijdens het lopen’. Dat het vooral niet ademt en alleen maar strakker gaat zitten, verzwijg ik. Ooit had ik tijdens een schoolreisje een zelfde shirt aan. Maat XS. Als een levende rollade liep ik door de dierentuin en zag de leeuwen likkebaardend op me loeren.

Ik race naar de foerageplaats, doorsta bliksem en dikke regendruppels, zie mijn bloedjes voorbij marcheren, pink een traantje weg, want ach wat worden ze toch groot, race weer terug naar school waar ze met applaus worden onthaald. Als ik thuiskom, ben ik total loss. Ik zet ze onder de douche, stop ze met natte haartjes in bed en duik zelf ook in mijn bed.

Uitgeput. Bekaf. Topsport. Dat is het.
De kleinste met de burgemeester. Das dan wel weer grappig.

zondag 10 mei 2015

Ka krijgt een kusje van de juf voor Moederdag

Moederdag rulez!
Als ik mijn oudste naar bed breng en hem lekker in zijn nek kriebel, kijkt hij mij aan. “Je bent nu echt superdepuper dicht in de buurt van je moederdagcadeautje”, grijnst hij. Ik kijk. Ik zie een houten doosje staan en weet het zeker: daar ligt het in. Dat zeg ik niet. Ik doe alsof ik zoek. Lachend duwt mijn oudste mij weg. “Morgen mam, morgen is het zover.”

Mijn kleinste slaat zijn armpjes om mijn nek, knuffelt me en zegt slaperig: “Morgen is het Moederdag. Dat wordt leuk.” Ik vraag hem wat ik van hem krijg. Hij denkt na. Hij wil het zeggen, maar net op tijd bedenkt hij zich. Weer mislukt, grijns ik.

Zondagochtend 10 mei: Mijn Dag is aangebroken. Twee springende jongetjes naast mijn bed met allebei een cadeautje in hun handen. Ik pak het als eerste het cadeautje van mijn oudste uit. Het is ingepakt in een prachtig papiertje met hartjes. “Zelf gemaakt”, klopt hij zichzelf trots op zijn borst, “maar de laatste hartjes zijn een beetje slordig ingekleurd omdat ik op moest schieten. Ik was al laatste klaar.”
Voorzichtig peuter ik de plakbandjes eraf. “Er zit iets in met een foto”, bouwt mijn oudste de spanning vast op. Als ik maar lang genoeg treuzel dan gaat hij mij ongetwijfeld zeggen wat erin zit. Zover komt het niet. Een klein prachtig schilderijtje met een foto van mijn bonkie. Prachtig. Omslachtig legt hij uit ‘dat het nog een hele klus was’.

Een prachtig mozaïek schilderijtje.
Het volgende cadeautje is van mijn mannen samen. “Ja”, begint mijn oudste, “papa kon je oude zwemkaart niet vinden en toen moest ie voor de zwemkaart betalen. We wilden er eerst 25 keer zwemmen op laten zetten, maar dat was duur. Duur! Meer dan honderd euro. Dus nu staat er twaalf keer zwemmen op.” Inwendig sterf ik van het lachen, maar houd mijn hoofd in de plooi. De Man werpt een vernietigende blik op mijn oudste. Ik maak het pakje open. Een zwemkaart! Kan ik trainen voor de City Swim. Ik ben er blij mee.


Zo lief! 
Kusje van de juf!
Het laatste cadeautje is van mijn kleinste. Een rood pakje. Aandoenlijk gedichtje bovenop geplakt. “Ik mocht niet zelf een papiertje maken, dat heeft de juf gedaan”, pruillipt hij. Ik zeg dat dat niet erg is. Ik maak het open. Een mee-neem-kusje! Wat een verrassing. Ik vind het kaartje geweldig. Mijn kleinste heeft mij met twee harten in mijn hand getekend. “En een zonnebloem”, vult hij aan. Op de achterkant een kusje van lippenstift. Heb ik mijn kleinste altijd bij me. “Het is niet mijn kusje”, zegt mijn kleinste opeens. Ik kijk m aan. “Nee, ik wilde dat niet. Ik wilde geen lippenstift op mijn lippen. Vind ik stom.” Ik vraag van wie het kusje dan is. “Van de juf!”, zegt hij trots. Oh, maar dat is ook prima. Voor de tweede keer kom ik niet meer bij. In stilte.In mijn portemonnee zitten in lengte van dagen voortaan twee mee-neem-kusjes; eentje van mijn oudste en eentje van de juf. Zo grappig is Moederdag.





dinsdag 5 mei 2015

Ka doet mee aan de Amsterdam City Swim


Ik doe 6 september mee aan de Amsterdam City Swim.
En zwem zoveel mogelijk geld bij elkaar voor Stichting ALS. 

Daar zit ie. Zijn vader. Ooit een held die hem hoog in de lucht gooide en altijd weer opving. De man die hem de namen van de bomen in het bos leerde. Die hem wees op bijzondere planten. Die samen met hem een vogelhuisje in elkaar knutselde.
Voorzichtig dept de jongen wat kwijl uit de mondhoek van zijn vader. Zijn vader, zijn held. Gekluisterd aan een rolstoel. Die hij spoedig zou verruilen voor een doodskist. Praten gaat moeizaam. De jongen voert het woord. “Mijn vader heeft de dodelijke ziekte ALS”, legt hij de televisiepresentator uit, “en binnenkort, als hij dood is, ziet u hem op grote posters in abri’s hangen.” Het ontroert me tot op het bot. De kracht die van vader en zoon uitgaat, de praktische handelingen van de jongen, de gelatenheid van de vader. Onverteerbaar.



Foto: Stichting ALS
Na deze uitzending hoor ik dat een overbuurvrouw is overleden aan ALS. Ik ken haar en haar man slechts van groeten. Had geen idee dat ze ziek was. Haar man is ontroostbaar. Ik zie hem met de dag magerder worden. In een wolk van verdriet laat hij zijn hond uit. De dagelijkse bezigheden houden hem overeind. Op het laatst kon zijn vrouw slechts een vinger gebruiken. Ze gebruikte die om te sms-en. Zo had ze nog wat contact. Want praten ging al lang niet meer. Als de rouwstoet langs mijn huis gaat, weet ik het zeker: nu is het genoeg. Ik ga me hard maken voor deze dodelijke spierziekte.

Op de dag dat de inschrijving van de Amsterdam City Swim start, zit ik aan mijn computer gekluisterd. Samen met drie vrienden schrijf ik me in. Zondag 6 september spring ik met mijn gezonde lijf en prima functionerende spieren de Amsterdamse grachten in. Twee kilometer zal ik zwemmen, met 2000 anderen die het niet kunnen aanzien dat er zo weinig bekend is over ALS en graag geld inzamelen voor onderzoek.

“Is dat niet koud?” en “Je lijkt wel gek om in die smerige grachten te springen!” krijg ik soms te horen als ik vertel dat ik meedoe aan de City Swim. Ik denk inderdaad niet dat het water tropische temperaturen heeft op 6 september, maar wat is nou twee kilometer afzien als je het afzet tegen iemand die de diagnose ALS heeft gekregen? Ook vrees ik dat het de grachten die dag niet azuur blauw zullen zijn. Het weerhoudt mij niet. Ik spring erin.

In spring erin voor de vader, de held van weleer en mijn overbuurvrouw. Voor hen is het te laat. Maar voor de jongen en mijn overbuurman die achterbleven en al die andere Nederlanders die op wat voor een manier dan ook te maken hebben met ALS is het niet te laat.

Ik wil dat verschil maken.


Help je me mee? Een bijdrage klein of groot, kan worden gedoneerd via http://www.amsterdamcityswim.nl/deelnemer/karinvanleeuwen/

dinsdag 17 maart 2015

Ka interviewt dames van Taalvoutjes


"Hee, Ka, lijkt het jou leuk de dames achter de populaire Facebookpagina Taalvoutjes te interviewen?", vraagt Sandra, hoofdredacteur van Damespraatjes. Ik slik. Ja, dat lijkt me hartstikke leuk. Ik voel ook de druk. Want die dames willen natuurlijk het artikel lezen voor publicatie. En wat nou als daar allerlei taalfouten in staan? Het artikel niet laten lezen is nog veel gevaarlijker. Dan krijg je achteraf het commentaar. 

Maar, Ka, jij schrijft toch hartstikke goed? Kom op, niet zo bescheiden, denk je nu misschien.

Daar kan ik het volgende op antwoorden: zelfs ik maak fouten. Soms echt heel stomme fouten. Onnozele fouten die door de lezer wellicht niet worden opgemerkt, maar bij taalpuristen door merg en been gaan.  

Ooit haalde ik de achterkant van tijdschrift Onze Taal. Leuk! Nee! Want dat waren de grappige fouten, Taalvoutjes avant la lettre zeg maar. Ik schreef toen voor een lokale krant. Het was zomer en dus lag het nieuws niet voor het oprapen. Ik moest veel woorden gebruiken om de krant vol te schrijven. We brachten het nieuws dat er eindelijk een zebrapad op een drukke weg was aangelegd. In mijn onderschrift schreef ik zoiets van: Eindelijk kunnen voetgangers veilig oversteken terwijl automobilisten gas kunnen geven. Zoiets. Het kwam erop neer dat het zebrapad een vrijbrief was voor automobilisten om voetgangers omver te rijden. Mijn geluk was dat er op de achterkant van Onze Taal geen naam werd vernoemd, enkel de titel van de krant. 

Boven het interview met Inger Holbeek en Vellah Bogle prijkt natuurlijk wel mijn naam. Ik haalde diep adem en mailde mijn interview naar Inger en Vellah. Nagelbijtend wachtte ik hun reactie af. En die kwam. Leuk verhaal! Prima. En toen dat zinnetje. Dat kleine addertje. "Er staan nog wel wat taalvoutjes in maar die halen jullie er hopelijk uit ;-)" 

Ik las mijn artikel talloze keren door. Kon echt niets meer vinden. Gelukkig was Inger zo sportief mij te verlossen. En nu staat het online. Ik kan opgelucht ademhalen. Toch?!

dinsdag 10 maart 2015

Ka leest Schrijven, kreng!



Vanaf het moment dat ik kan schrijven, schrijf ik. Mijn dagboeken, later omgedoopt tot Life of Ka-boeken, gaan terug toen ik zo'n jaar of 6, 7 was. En schreef over mijn dag.

Lief dagboek. Ik ben naar school geweest.
Het was leuk. Mijn vriendje Roland is gevallen.
Zielig he?
Nou ik ga slapen, tot morgen lief dagboek.

Dagboeken schrijf ik niet meer, daar heb ik geen tijd voor, ik blog. En die schuren tegen de waarheid aan dus toch een soort van documentjes onder de noemer 'leuk voor later'.

En dan zeggen de mensen: 'Ka, bundel die blogs. Ik koop je boek.' Dat vind ik geweldig om te horen. Niets is leuker als je anderen een plezier doet met je pennenvruchten. Maar ja. Dat boek is er nog steeds niet. En in mijn hoofd zitten best wat verhalen. Ideetjes. Maar dan moet ik de kinderen van school ophalen, naar de sportschool, de was sorteren en de goudvis eten geven. Geen tijd om te schrijven.

Mijn schrijfader siddert meer dan ooit. Ik heb namelijk het boek Schrijven kreng! van Lisette Jonkman gelezen. Vol tips en trucs om een boek te schrijven. Wat let me?

Om te beginnen heb ik er een blog over geschreven. Dan zien we wel weer verder, toch.....

http://damespraatjes.nl/ka-leest-schrijven-kreng/

maandag 9 februari 2015

Ka maakt een wandeling door de Jordaan

Na de dood van Johnny Jordaan in 1989 werd geld ingezameld voor dit standbeeld.

Het is algemeen bekend dat ik niet zo’n wandelaar ben. Toch maak ik uitzonderingen voor sommige blokjes om. Zo vind ik het prima om als ik een vol hoofd heb, een wandeling langs het strand te maken. Let wel: dat strand moet grenzen aan een middelgrote badplaats zodat er wel koffietenten in de buurt zijn. Ook vind ik het geen enkel probleem een wandeling te maken door een stad. Koffietenten te over en bovendien: een hoop te zien.

De wandeling ‘De twee walletjes tour’ in Amsterdam, die ik onlangs met mijn vader maakte, was hilarisch leuk. Bij het verzamelpunt, Beurs van Berlage, werd het mij al pijnlijk duidelijk dat ik geen echte wandelaar ben. Om me heen zag ik vooral grijs haar, schutkleuren en stevige stappers. Stond ik daar met mijn geverfde haar, oranje broek en groene Palladiums. Mijn hart maakte een sprongetje toen we werden ingedeeld in de groep van Ben en Hugo. Ben en Hugo maakten van hun hart geen moordkuil, schreeuwden over het Beursplein dat ze een setje waren, dat ze geen haast hadden, dat ze uitkeken naar het kroegbezoek en dat ze er een gezellige wandeling van gingen maken. Ik wreef in mijn handen. Ik zat de middag gebakken, zover was duidelijk. 

Ik gaf mijn vader een arm, en daar gingen we. Op naar de Jordaan. Daar keken we eerst eens even rond. De groep in schutkleuren gestoken grijze bollen, was een gezellige. Ben en Huug hadden het naar hun zin, dat zag je zo. “Schat, hebben we ze allemaal nog?”, schreeuwde Huug over vijfentwintig hoofden heen naar Ben. Ben stak zijn duim op. “We mogen drie procent kwijtraken. Nou ja, dan hebben we een goeie dag”, gierde Huug. Onderweg vertelde het koppel interessante wetenswaardigheden. Ze wezen de groep op muurtegels, op bouwstijlen en andere leuke Amsterdamse zaken. Na dik anderhalf uur streken we neer in café Rooie Nelis, een onvervalst ouderwetse kroeg met Perzische tapijtjes op de tafels.

Jose, Grijze Gerrit en Huug in café Rooie Nelis.
Eigenaresse Sien (dik in de tachtig) was er niet, maar haar wederhelft Grijze Gerrit wel. Grijze Gerrit had vroeger de bijnaam Zwarte Gerrit. Maar die sloeg, nu Gerrit ook dik in de tachtig was, nergens meer op. “Nou ja”, schaterde Grijze Gerrit, “van onderen, daarzo, u weet wel, is het nog helemaal op kleur.” Uit de speakers knalde het liedje “Een pikketanusie gaat er altijd innnnn!”. Grijze Gerrit zong mee. “Ja mensen, de pik van annusie gaat er altijd in.” De bardame Jose vertelde dat Danny de Munck en Gerard Joling regelmatig een biertje kwamen halen. En dat prinses Beatrix al vier keer was geweest. Voor de rest werd de kroeg vooral bevolkt door buurtbewoners. Hard en vals zong Jose het Nederlandse levenslied weer mee.


Opgewarmd verlieten we Rooie Nelis. Op naar de warme buurt, de wallen. Natuurlijk stonden we stil voor het oude politiegebouw op de Warmoesstraat. Daar waar De Cock in zijn serie Baantjer naar buiten keek. Vervolgens liep de groep naar het huis van Ben en Huug. Midden in de hoerenbuurt. Vrolijk zwaaiden de twee gidsen naar hun schaars geklede buurmeisjes. Lieten zien waar ze woonden (‘wees welkom als u in de buurt bent’) en tenslotte mochten we even de meisjescarrousel in. De meisjescarrousel, zo leerden we, was een warm gebouw, vol ramen die op drukke dagen vol meisjes van plezier staan. Nu waren slechts twee dames aan het werk.

Het had wat treurigs; die grijze bollen gehuld in schutkleuren in het broeierige gebouw. We namen hartstochtelijk afscheid van Ben en Huug en beloofden als we in de buurt waren, koffie bij ze te drinken. Mijn vader en ik keken elkaar op de terugweg naar de trein aan en wisten dat koffie bij Ben en Huug er waarschijnlijk nooit van zou komen. Het was goed zo.

vrijdag 6 februari 2015

Ka d'r oudste is aan het Ducktypen



Ik kan typen met tien vingers tegelijk. Dat heeft voordelen. Zo kijk ik altijd op mijn scherm en zie gelijk wat ik schrijf en ik kan gelijktijdig gewoon tegen iemand aan leuteren terwijl ik vrolijk doortyp. Ik vind het vanzelfsprekend dat ik tienvingers-blind typ.

Wat was ik verbaasd toen ik als jonge blom mijn eerste schreden op de redactie van een lokale krant zette. Mijn redactiechef, steevast vloekend en steevast een rood hoofd, tikte als een malloot met twee vingers zijn verhalen. En dat was de tijd dat er niet aan 'kort en bondig schrijven' werd gedaan. Dat was de tijd van eindeloze verhalen. Nog steeds kan ik het gehak op zijn toetsenbord horen.

Toen ik lucht kreeg van Ducktypen, een hartstikke leuke typecursus voor kinderen vanaf 8 jaar, heb ik mijn oudste aangemeld. En braaf typt hij de oefeningen. Heel graag zou ik willen zeggen 'braaf typt hij ELKE DAG de oefeningen, maar dat gaat niet. Omdat er ook andere zaken moeten gebeuren. Sporten, school, chillen bijvoorbeeld.
 Ik vind het wonderlijk om hem te zien typen. Die kleine vingertjes op mijn grote laptop. Dat blije hoofd als hij een oefening heeft gehaald, de struggle als hij het net niet haalt. Hij werkt op de redactie van Donald Duck aan een krant. En vindt dat toch wel razend interessant.

Meer weten over Ducktypen? Gratis proefles doen? Ga dan naar: http://www.damespraatjes.nl/2015/ka-dr-oudste-volgt-een-cursus-ducktypen

zaterdag 24 januari 2015

Ka wordt wakker in een witte wereld

Sneeuwman Olav wordt in elkaar geknutseld.
 
Er wordt ijzel voorspeld. En sneeuw. Vind ik niet erg zolang ik gewoon lekker binnen kan zitten. Dat ik vanaf de bank naar buiten kan kijken hoe het ijzelt. Minder grappig vind ik het om met dit soort barre weersomstandigheden auto te rijden. Mijn oudste heeft de volgende dag een voetbalwedstrijd. In de loop van de avond krijg ik een appje. Afgelast. Opgelucht haal ik adem. Ik hoef niet om 8.15 uur in de auto op weg naar een of ander knollenveld in de buurt.

’s Nachts word ik wakker door een autoalarm. Benieuwd of het al heeft gesneeuwd kijk ik met mijn lenzenloze ogen naar buiten. “Het voetbal gaat wel door”, mompelt De Man. Huh? Foutje van de KNVB. Ik zucht diep en zet alsnog mijn wekker. Om zes uur komt mijn kleinste, met slaapmuts, juichend de slaapkamer in. “Het sneeuwt, mam”, maakt hij mij wakker. Ik kreun.

Weer kijk ik naar buiten. De wereld is wit en doodstil. Zo moet sneeuw zijn, denk ik terwijl ik onder de douche spring. Als ik mijn oudste vertel dat er toch voetbal is, zucht hij. “Maar het sneeuwt”, wijst hij naar buiten. Ja. Vindt de KNVB geen enkel probleem, een beetje sneeuw.
Al snel worden de andere ouders uit het voetbalappje wakker. Om vijf over zeven wordt het definitief: de wedstrijd gaat niet door.

“Mooi”, roept mijn oudste, “dan kan ik een sneeuwpop maken.” Mijn kleinste wurmt zich in zijn snowbootsen. Daar gaan ze. Vakkundig maken ze twee grote sneeuwballen. Die ploppen ze op elkaar. “Zo”, wrijft mijn oudste in zijn handen, “nu een wortel mam.” Sinds ik onder het strakke afval-regime van Ratna sta, heb ik altijd wortels in huis. Ik pak er een. Als mijn jongste de wortel in de sneeuwbal duwt, valt het hoofd van de pop eraf. Mijn oudste zucht en rolt met zijn ogen. Een tweede hoofd wordt gemaakt. Plop. Op het rompje van de sneeuwman. Inmiddels heeft mijn kleinste steentjes gezocht die als knoopjes moeten fungeren.
Samen bouwen ze Olav, zoals de sneeuwpop inmiddels heet, af. Worteltje erin en klaar.

Olav. Rust in vrede.


Met frisse rode wangen en een snotneus komen ze binnen, die mannen van mij. Ze nestelen zich op de bank en warmen hun handen aan een kop warme chocolademelk. Olav staat heel erg sneeuwpop te zijn, buiten in de voortuin. Als niet veel later de zon doorbreekt en de dooi (hoera!) inzet, overlijdt Olav. Even overwegen mijn boenders een staatsbegrafenis. Maar zien daar van af. “Als het weer sneeuwt, maken we gewoon een nieuwe.”


Zo simpel is het.

De trotse maker van Olav.